Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula pilosa

Pinguicula pilosa

Een bleekviolet bloeiend vetblad uit een kleine, afgelegen bergketen in het zuiden van Tamaulipas — een streek die botanisch nog maar kort in beeld is en die in korte tijd verscheidene nieuwe soorten heeft opgeleverd. Pinguicula pilosa werd in 2004 beschreven en dankt zijn naam aan de beharing; het is een soort met een uitgesproken winterbloei, die in de koelste maanden van het jaar in bloei staat.

Pinguicula pilosa
Foto: Sergio Terán — CC BY-NC 4.0 · GBIF

Herkenning

De winterrozet telt 12 tot 18 dikke, omgekeerd lancetvormige blaadjes van 10 tot 20 mm lang en 6 tot 12 mm breed. De zomerrozet bestaat uit 8 tot 12 bredere bladeren van 25 tot 40 mm lang en 20 tot 30 mm breed, met een afgeronde top en een licht naar binnen gekrulde rand, bezet met de kenmerkende klierdruppels. Er staan één tot drie rechtopstaande, lichtpaars aangelopen bloemstelen van (35)70 tot 90 mm. De bloem meet (16)22 tot 25 mm inclusief het spoor en is bleek violet met een wit hart en een groengele keel. Het spoor is gebogen en staat ongeveer haaks op de bloembuis — precies dat kenmerk onderscheidt de soort van haar naaste buur. Bloei januari tot maart, soms tot in april.

Gelijkende soorten

In de beschrijving wordt de soort tegenover Pinguicula agnata gezet, waarvan zij in bladvorm, bloemstelen en bloemkenmerken verschilt. Voor de veldwaarnemer is echter Pinguicula ibarrae uit Hidalgo de belangrijkste vergelijking: die is in alle onderdelen groter, met zomerbladeren van 35 tot 95 mm tegen 25 tot 40 mm hier, en heeft een recht spoor dat onder een flauwe hoek van 130 tot 160 graden op de buis staat, terwijl het spoor van P. pilosa gebogen is en ongeveer haaks staat. De twee soorten komen bovendien in verschillende staten voor. Een zijaanzicht van de bloem beslist het geval.

De val en hoe hij werkt

De brede zomerbladeren dragen het gebruikelijke tweeledige klierdek: gesteelde klieren met een heldere kleefdruppel en zittende klieren die pas verteringsenzymen afgeven zodra een prooi op het blad ligt. De licht naar binnen gekrulde bladrand is daarbij functioneel — hij houdt het verteringsvocht in een ondiepe kom vast in plaats van het langs de rand te laten weglopen. De vangst bestaat in het vochtige bergbos van zuidelijk Tamaulipas uit kleine tweevleugeligen, bladvlooien en gevleugelde mieren. Dat de plant juist in de koele maanden bloeit en actief is, betekent dat zij een insectenaanbod benut waar veel andere planten dan geen gebruik van maken.

Standplaats en ecologie

Een kleine, afgelegen bergketen in het zuiden van Tamaulipas. De soort groeit er in vochtig bergbos, op beschaduwde, natte rotswanden en taluds waar water langs het gesteente sijpelt (R1), onder een bladerdak dat de luchtvochtigheid hoog houdt (B1). Voor een preciezere standplaatsbeschrijving — gesteentesoort, hoogte boven zeeniveau — hebben wij geen toetsbare opgave kunnen vinden; het hoogteveld in de feitenkaart is daarom leeg gelaten. Het bergland van zuidelijk Tamaulipas is een noordelijke uitloper van de nevelwoudzone, met vochtige noordhellingen en droge zuidhellingen dicht bij elkaar.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de Mexicaanse staat Tamaulipas, in een klein en afgelegen bergmassief in het zuiden van de staat — in overeenstemming met de opgave in onze soortenlijst. De beschrijving benadrukt het geïsoleerde karakter van die keten, en dat verklaart waarschijnlijk hoe een opvallende soort tot 2004 onbeschreven kon blijven. Het bekende areaal is klein. Zuidelijk Tamaulipas is intussen wel als vetbladgebied herkend — ook P. laxifolia komt hier voor — zodat verder onderzoek in de omliggende bergen zowel nieuwe vindplaatsen als nieuwe soorten kan opleveren.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven. De soort is van een beperkt gebied bekend en er is geen vergelijkend materiaal uit verschillende milieus waarop een indeling in vormen zou kunnen steunen. De vastgelegde variatie betreft de lengte van de bloemstelen, die opvallend ruim is — van vijfendertig tot negentig millimeter — en de bloemgrootte van zestien tot vijfentwintig millimeter; beide hangen waarschijnlijk samen met lichtinval en groeiplaatskwaliteit. In de plantenhandel circuleren klonen onder deze naam met aanvullende aanduidingen; die zijn geen wilde vormen en horen in deze gids niet thuis. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld.

Waar en wanneer te zien

Januari tot maart is het venster: dan bloeit de soort, en dat is meteen de aangenaamste tijd om in zuidelijk Tamaulipas te lopen. Zoek op beschaduwde, natte wanden en taluds in vochtig bergbos, langs beken en insnijdingen. De bleekviolette bloemen met hun witte hart staan op stelen van zeven tot negen centimeter en zijn tegen donker gesteente goed te zien; de rozetten zijn groen en gaan tussen het mos op. Let bij het fotograferen op het spoor: maak altijd een zijaanzicht, want de kromming en de hoek met de bloembuis zijn hier het determinatiekenmerk.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een in 2004 beschreven soort met een klein areaal in één afgelegen bergketen. De afgelegenheid is haar grootste bescherming — het gebied is moeilijk bereikbaar en daardoor betrekkelijk gespaard gebleven van kap en omzetting. Daar staat tegenover dat een klein areaal zonder reservestatus geen buffer heeft: één wegaanleg, één grootschalige kap of één gerichte verzamelactie kan een belangrijk deel van de populatie treffen. Mexicaanse vetbladen die in de kwekerswereld bekend worden, ondervinden bovendien vrijwel altijd verzameldruk. Zonder beoordeling is er geen categorie, en zonder gegevens over populatiegrootte valt de trend niet te schatten.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula pilosa | Luhrs, Studnicka & Gluch, 2004

Beschreven door Holger Lührs, Jiří Studnička en Oliver Gluch in 2004, in Carnivorous Plant Newsletter 33: 43. De soort komt voor in Mexico; de precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam "pilosa" is Latijn voor "behaard" en verwijst naar de behaarde plantendelen van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.