Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula primuliflora

Pinguicula primuliflora

Het sleutelbloemvetblad is het vetblad van stromend water. Terwijl de meeste soorten uit het zuidoosten van de Verenigde Staten in open dennensavanne staan, zit Pinguicula primuliflora juist in de schaduw: op de oevers van beken en bayou's onder bos, vaak half in het water, en soms zelfs volledig ondergedoken wanneer het waterpeil stijgt. Hij is bovendien meestal de eerste van zijn gezelschap die bloeit, vaak al in januari.

Pinguicula primuliflora
Foto: Rkitko in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula primuliflora — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Krzysztof Ziarnek, Kenraiz in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula primuliflora — de bloem
De bloem · Foto: Krzysztof Ziarnek, Kenraiz in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een frisgroene rozet van vier tot zestien centimeter breed, met langwerpige, gaafrandige bladeren die vlak op de natte oeverbodem liggen en aan de bovenkant glanzen van het klierdek. De bloemstelen zijn dun en, net als bij andere vetbladen, zelf klierachtig behaard. De bloem is bleeklila tot vrijwel wit met een gele keel en heeft de vijfslippige, wat vlakke vorm die aan een sleutelbloem doet denken — vandaar de naam. Kenmerkend is verder dat oudere bladeren aan de punt kleine, wortelende jonge plantjes kunnen vormen, zodat een oude plant vaak door een kluitje nakomelingen is omringd.

Gelijkende soorten

De andere vetbladen van het zuidoosten zijn planten van open, natte savanne en niet van beschaduwde beekoevers, wat het onderscheid meestal al maakt. Pinguicula planifolia staat wel in erg natte omstandigheden maar heeft vlakke, vaak roodachtige bladeren zonder omgekrulde rand en een duidelijk paarsere bloem. P. ionantha heeft een bleek paarse tot witte bloem met een opvallend uitpuilend gehemelte. Dit vetblad valt op door de lichte ring rond de keel en door zijn standplaats — geen andere soort staat zo consequent aan de waterlijn onder bos.

De val en hoe hij werkt

De rozet werkt als klassieke lijmval: gesteelde klieren dragen een kleefdruppel, zittende klieren geven verteringsenzymen af zodra er een prooi op ligt, en de bladrand rolt langzaam naar de prooi toe zodat het vocht in een ondiep kuiltje blijft staan. Op een beschaduwde beekoever is het prooiaanbod uitstekend: boven stromend water hangen permanent zwermen dansmuggen en andere kleine tweevleugeligen. De schaduw heeft nog een voordeel: de kleefdruppels drogen er nauwelijks in, zodat de val ook midden op de dag blijft werken. Een tweede voordeel van deze standplaats is de aanvoer: wat het water meebrengt en op de oever afzet, belandt regelmatig op een blad. Een rozet die half in het water ligt, vangt daardoor deels wat er drijft en niet alleen wat er vliegt.

Standplaats en ecologie

Beschaduwde, permanent natte oevers: randen van bayou's, zandige beekoevers, kwelplekken en moerasbossen, vaak met de rozetten half in het water. In het moederland van deze soort — de laaglandbossen langs de Golfkust — betekent dat zure, voedselarme, doorstroomde standplaatsen waar weinig kruiden het uithouden. De plant verdraagt tijdelijke onderdompeling; waarnemingen uit het verspreidingsgebied beschrijven planten die tijdens hoge waterstanden volledig onder water stonden en daarna gewoon verder groeiden.

Verspreiding en hoogte

Beperkt tot het zuidoosten van de Verenigde Staten en daarbinnen tot de Golfkustvlakte: van zuidoostelijk Mississippi door zuidelijk Alabama tot de westelijke panhandle van Florida, met waarnemingen onder meer uit Santa Rosa County, Okaloosa County, Greene County en Mobile County. Het is dus een laaglandsoort van vlak terrein vlak bij zeeniveau, met een areaal dat zich in een smalle band evenwijdig aan de kust uitstrekt. Binnen die band is de soort bovendien ongelijk verdeeld: hij volgt de beeklopen, zodat het verspreidingsbeeld eerder uit lijnen dan uit vlakken bestaat. Waar een beek is rechtgetrokken of het oeverbos is gekapt, breekt zo'n lijn af.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 31 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In het wild worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. Wat opvalt is de variatie in bloemkleur, van bijna zuiver wit tot duidelijk lila, en de mate waarin een plant jonge plantjes op de bladtoppen vormt — dat laatste hangt sterk samen met hoe nat en beschaduwd de standplaats is. Omdat die vegetatieve vermeerdering zo doeltreffend is, bestaat een groeiplaats vaak uit één grote kloon; wat er als een kolonie uitziet, kan genetisch een handvol individuen zijn. Kweekvormen blijven hier buiten beschouwing. Wie planten vergelijkt, doet er dus goed aan exemplaren uit verschillende beeksystemen naast elkaar te leggen en niet uit één kolonie.

Waar en wanneer te zien

Zoek langs het water onder bos, niet in de open savanne: zandige beekoevers, de rand van een bayou, kwelplekken aan de voet van een helling. Januari tot maart is de beste periode, want deze soort loopt op de andere vooruit; in een zachte winter staan de eerste bloemen al vlak na nieuwjaar. Let op de lichte ring rond de gele keel en fotografeer de bloem van voren en van opzij. Waar je één plant vindt, staan er meestal tientallen — kijk dan vooral waar je je voeten zet.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat wél bekend is: het areaal is klein en ligt volledig in een laaglandzone waar beken worden rechtgetrokken, oeverbossen worden gekapt en de waterhuishouding door drainage en bebouwing verandert. In Florida geniet de soort wettelijke bescherming op staatsniveau. Daarnaast is hij populair bij verzamelaars, wat verzameldruk op vindplaatsen kan opleveren. Het ontbreken van een mondiale categorie is een leemte, geen vrijbrief.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula primuliflora | Wood & Godfrey, 1957

Beschreven door Carroll E. Wood en Robert K. Godfrey in 1957, in Rhodora 59: 219. De soort komt voor in het zuidoosten van de Verenigde Staten (onder meer Florida, Louisiana en de omliggende staten). De naam "primuliflora" (sleutelbloembloeiend) verwijst niet naar gelijkenis met sleutelbloemen, maar naar het feit dat deze soort doorgaans als eerste van het geslacht in het voorjaar bloeit.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.