Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula takakii
Pinguicula takakii
Een van de kleinste vetbladen van Mexico, en een van de meest extreme wat standplaats betreft: Pinguicula takakii groeit op witte gipsheuvels in San Luis Potosí, in een halfwoestijn van rozetvormige struiken en agaves. De plant is nauwelijks groter dan een vingernagel, en de bloem — violet met een gele buis en donkerrode lijnen in de keel — is voor Mexicaanse begrippen ongewoon bont voor zo'n klein formaat.

Herkenning
Een kleine, vlakke rozet van bladeren van 5 tot 16 mm lang en 4 tot 12 mm breed, dus in omtrek zelden groter dan drie centimeter. De bloemstelen blijven kort, ongeveer 25 millimeter, zodat de bloem vlak boven de rozet staat. De bloem meet 6 tot 12(14) mm inclusief het spoor en is violet van kleur, met een opvallend detail: het onderste deel van de bloembuis en het spoor zijn geel, en in de keel staan donkerrode lijnen. Het spoor zelf is klein, 2 tot 3,5 mm lang en ongeveer een millimeter breed. Voor de bloeitijd hebben wij geen toetsbare opgave gevonden; dat veld is in de feitenkaart leeg gelaten.
Gelijkende soorten
In het gipsgebied van San Luis Potosí en aangrenzend Nuevo León groeien meer kleine vetbladen, maar de bloemtekening van deze soort — violet met een gele buis en spoor en donkerrode keellijnen — is in dat gezelschap ongewoon: de meeste gipsbewoners daar hebben een witte of bleekviolette bloem met hooguit een gele keelvlek. Pinguicula gypsicola, eveneens een gipsbewoner uit San Luis Potosí, heeft veel langere, smallere zomerbladeren en een grotere bloem. Wie in dit gebied een dwergrozetje met een violet-gele bloem vindt, heeft vrijwel zeker deze soort.
De val en hoe hij werkt
De kleine kleverige bladeren werken als lijmval met het gebruikelijke bouwplan: gesteelde klieren met een heldere druppel, zittende klieren die enzymen afgeven zodra er een prooi op ligt, en een bladrand die zich langzaam over de vangst buigt. Op gipsgrond is de vangst geen bijzaak. Gips levert calcium en sulfaat in overmaat, maar stikstof en fosfor vrijwel niet, en de planten die op dit substraat leven, zijn in hun groei door precies die twee elementen begrensd. Voor een vetblad is dat een kans in plaats van een beperking. Het vangstaanbod op een open gipshelling bestaat vooral uit kleine vliegjes en mieren die over de kale grond bewegen.
Standplaats en ecologie
Gipsheuvels op 1350 tot 1400 m hoogte, begroeid met matorral desértico rosetófilo — de struikvegetatie van rozetvormige planten die kenmerkend is voor de droge hooglanden van Midden-Mexico. De bodem is gips: hard, wit, voedselarm en volstrekt afwijkend van de kalk- en vulkanische bodems waarop de meeste Mexicaanse vetbladen groeien (D4, D1). De vegetatie is open en laag, en op zulke gipsbodems komen veel plantensoorten voor die nergens anders staan. De plant benut de vochtige periode na de regens; in de lange droge maanden is er bovengronds vrijwel niets te zien.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de Mexicaanse staat San Luis Potosí, in de gemeente Villa Juárez, met vindplaatsen bij Minas de Guaxcamá en Minas de San Rafael — in overeenstemming met de opgave in onze soortenlijst. De namen van die vindplaatsen zeggen meteen iets over de situatie: het zijn gipsmijnen, en de soort groeit op precies het gesteente dat daar wordt gewonnen. Het bekende areaal is klein en beperkt tot enkele gipsheuvels. Gipsafzettingen liggen in Midden-Mexico als eilanden verspreid, en elk eiland kan zijn eigen soorten hebben, zodat naburige afzettingen het onderzoeken waard blijven.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen wilde variëteiten beschreven. De soort is van enkele dicht bijeen liggende gipsheuvels binnen één gemeente bekend, en dat biedt te weinig milieuverschil om vormen aan op te hangen. De variatie die er is, betreft de grootte van de rozet — de opgegeven bladmaten lopen van vijf tot zestien millimeter, een ruime spreiding voor zo'n kleine plant — en die hangt waarschijnlijk samen met de vochtigheid van de plek en het jaar. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld; er groeien op deze gipseilanden geen nauwe verwanten waarmee kruising voor de hand ligt.
Waar en wanneer te zien
Ga na de eerste stevige regens van het seizoen, wanneer de rozetten zijn uitgegroeid en de bloemen verschijnen; in de droge tijd is er nagenoeg niets te vinden. Zoek op de witte gipshellingen tussen de rozetstruiken, op de kale grond in plaats van in de vegetatie, en kijk van dichtbij: een rozet van hooguit drie centimeter met een bloem van een centimeter vraagt om knieën en een loep. Het violet-met-geel van de bloem is tegen wit gips verrassend goed zichtbaar. Betreed de gipskorst zo min mogelijk — die is bros en breekt onder een voetstap.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, is zorgwekkend concreet: de twee genoemde vindplaatsen dragen de naam van gipsmijnen, en gipswinning betekent dat de heuvel waarop de soort staat, laag voor laag wordt afgegraven. Voor een soort met een areaal van enkele gipsheuvels is dat geen theoretisch risico. Daarnaast worden open gipshellingen in Midden-Mexico zwaar begraasd door geiten, en is de plant door haar geringe afmetingen kwetsbaar voor betreding. Dat er geen categorie is toegekend, komt doordat de soort nooit is getoetst; een toetsing zou hier waarschijnlijk tot een bedreigde categorie leiden.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula takakii | Ruiz & Rzedowski, 1986
Beschreven door Sergio Zamudio Ruiz en Jerzy Rzedowski in 1986, in het artikel "Tres especies nuevas de Pinguicula (Lentibulariaceae) de México", Phytologia 60(4). De typelocatie ligt in de Mexicaanse staat San Luis Potosí, gemeente Villa Juárez, bij de mijn Minas de Guaxcama, 2 km ten zuidoosten van Buenavista. De soortnaam eert de Mexicaanse bioloog Francisco Takaki, die als eerste deze soort verzamelde en bekend staat om zijn bijdragen aan het in kaart brengen van de Mexicaanse vegetatie.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.