Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula spathulata

Pinguicula spathulata

Het bontste bloempje van alle noordelijke vetbladen. Pinguicula spathulata — in oudere literatuur bekend als P. variegata — heeft een bloem die wit, geel en blauw tegelijk is, met violette strepen die naar de keel wijzen. De plant is nauwelijks groter dan een duimnagel en groeit in de toendra en het hooggebergte van Siberië en het Russische Verre Oosten, tot op Kamtsjatka, Sachalin en de Koerillen.

Pinguicula spathulata
Foto: Maria Khoreva — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula spathulata — de standplaats
De standplaats · Foto: Maria Khoreva — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine rozet van spatelvormige bladeren van zes tot negen millimeter lang en vijf tot zeven breed, met een gewimperde rand — een kenmerk dat men met een loep meteen ziet en dat de soort van haar naaste verwanten scheidt. De bloem is met de spoor meegerekend acht tot twaalf millimeter, van vorm vergelijkbaar met die van Pinguicula alpina maar kleiner, en opvallend driekleurig: wit met geel in de keel en blauw op de lippen, met violette strepen als honingmerk. De spoor is kort en kegelvormig, twee tot vier millimeter, duidelijk korter dan de rest van de bloem. Bloeitijd juni en juli. De plant overwintert als winterknop en maakt daaromheen talrijke kleine broedknoppen, zodat kolonies snel dicht worden.

Gelijkende soorten

Pinguicula alpina heeft een vergelijkbaar gevormde maar grotere, zuiver witte bloem met gele vlekken en geelgroen blad zonder wimpers. P. villosa, die in hetzelfde gebied in veenmos staat, heeft een bleeklila bloem op een duidelijk behaarde steel. P. algida is de derde kleine noordelijke soort in dit gebied en het lastigst te scheiden; de driekleurige bloem van P. spathulata is dan het bruikbaarste kenmerk. Buiten de bloei helpt de gewimperde bladrand. Wie een naam uit oudere Russische literatuur tegenkomt, moet erop bedacht zijn dat P. variegata en P. sibirica beide op deze soort slaan.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval voor een seizoen van hooguit tien weken. Het blad draagt gesteelde klieren met een kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afscheiden zodra er een prooi op ligt; daarna rolt de bladrand zich traag over de vangst. De gewimperde rand van het blad is hier geen sier maar functie: de lange randharen vangen dauw en mist en houden de kleefdruppels vochtig in een klimaat dat in de korte zomer verrassend droog en winderig kan zijn. Het prooiaanbod bestaat uit muggen, dansmuggen en springstaarten, die in de Siberische zomer in enorme dichtheden boven de natte toendra hangen.

Standplaats en ecologie

Veenmosveen en natte toendra (W1), open, mossige hellingen boven de boomgrens (R5), en basenrijkere zeggenveentjes en kwelplekken (W2). In het gebergte ten westen van het Baikalmeer zit de soort tussen veertienhonderd en tweeëntwintighonderd meter; in het noordelijke kustgebied daalt de standplaats tot zeeniveau, waar de toendra de rol van het hooggebergte overneemt. De ondergrond is koud, zuur tot zwak basenrijk en permanent nat in het groeiseizoen. Concurrentie van hogere planten ontbreekt, want het klimaat laat die niet toe.

Verspreiding en hoogte

Zuidelijk en oostelijk Siberië tot in het Russische Verre Oosten, met opgaven uit Boerjatië, Tsjita, Amoer, Jakoetië, Chabarovsk, Magadan, Kamtsjatka, Sachalin en de Koerillen. Het areaal ligt daarmee vrijwel geheel binnen Rusland, maar over een enorme oppervlakte. Onze eigen soortenlijst noemt daarbij ook Noorwegen; dat is in de gangbare naslagwerken niet terug te vinden — het westelijke deel van het areaal eindigt in Siberië, en het is P. alpina en P. villosa die in Fennoscandinavië de noordelijke rol spelen.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 51 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden, al is de intensiteit van de drie bloemkleuren behoorlijk veranderlijk: sommige planten zijn overwegend wit met alleen een gele keelvlek, andere hebben duidelijk blauw op de lippen. Dat is variatie binnen populaties en geen geografisch patroon. Belangrijker is de naamgeschiedenis: P. variegata en P. sibirica zijn als aparte soorten beschreven en later met deze soort samengevoegd, zodat oudere verspreidingsgegevens onder drie namen verspreid liggen. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven.

Waar en wanneer te zien

Ga in juni of juli, kort na de sneeuwsmelt, en zoek op twee soorten plekken: de natte, mossige hellingen boven de boomgrens, en de randen van toendraveentjes en bronbeekjes. De rozet is klein en verdwijnt in het mos, maar de driekleurige bloem is voor een vetblad ongewoon opvallend en verraadt hele kolonies tegelijk — de soort vormt door haar broedknoppen vaak dichte plekken. Gebruik een loep voor de gewimperde bladrand. En houd de standplaats heel: natte toendrabodem herstelt zich uiterst traag van voetsporen.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES, zodat een internationale categorie ontbreekt. Wat bekend is, wijst niet op een probleem op schaal van de soort: het areaal beslaat een groot deel van Noordoost-Azië, grotendeels in dunbevolkt gebied. De onzekerheid zit elders. Veel van de groeiplaatsen liggen op bodem met permafrost eronder, en juist die bodem verandert: waar de permafrost dooit, verdwijnt de ondoorlatende laag die het smeltwater aan de oppervlakte houdt en droogt de standplaats uit. Daar komt bij dat de verspreiding onder drie historische namen is opgeschreven, wat het opstellen van een betrouwbaar beeld bemoeilijkt — een beoordeling zou daar eerst doorheen moeten.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula spathulata | Ledebour, 1812

Beschreven door Carl Friedrich von Ledebour in 1812. De soort komt voor in de Kaukasus. De naam "spathulata" is Latijn voor "spatelvormig" en verwijst naar de vorm van de bladeren.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.