Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse watersnip
Amerikaanse watersnip
Gallinago delicata | Wilson's snipe | Agachadiza de Wilson
Sinds de Amerikaanse watersnip in 2002 als aparte soort van de watersnip werd gescheiden, speurt elke najaarsvogelaar in West-Europa snippen af naar een vogel met zestien staartpennen. Dat kenmerk krijg je in het veld vrijwel nooit te zien, en juist daarom is dit een van de meest onderschatte dwaalgasten.
Geluid
Bij het opvliegen een scherpe, wat hoger en droger klinkende ketsj dan de schorre retsj van de watersnip, maar het verschil is te klein om op te bouwen. Op het broedgebied is het baltsgeluid duidelijker: het zoemende blaten van de trillende buitenste staartpennen ligt hoger, gaat sneller en klinkt harder, meer als een snel woe-woe-woe-woe dan als het trage blaten van onze watersnip.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Op afstand een watersnip: dezelfde gedrongen bouw, dezelfde zeer lange rechte snavel, dezelfde vier crème lengtebanen over de rug. Van dichtbij oogt de vogel kouder en grijzer, met minder warm roodbruin in kop- en rugtekening en met witte in plaats van roomkleurige randen aan de vleugeldekveren. In de staart zitten zestien pennen in plaats van veertien, en de buitenste zijn smaller en zwaarder gebandeerd, met minder wit.
Verwarringssoorten
Alleen de watersnip komt in aanmerking, en het verschil zit grotendeels in veren die je moet kunnen tellen. Tel de staartpennen: acht paar bij de Amerikaanse watersnip, zeven bij de watersnip. Let in vlucht op de smallere witte achterrand van de arm, die bij de watersnip een duidelijke witte streep vormt en hier een dun lijntje blijft. Let ook op de donkerder okselveren en ondervleugeldekveren, waar de zwarte banden breder zijn dan de witte. In de praktijk valt dit in het veld vaak niet te beslissen: de meeste aanvaarde gevallen berusten op foto's van een gespreide staart of van een vogel die zich uitrekt.
Leefgebied
In Europa in precies dezelfde terreinen als de watersnip: slootkanten, plasdras, drassige weilanden en ondergelopen akkers met dekking binnen een paar meter. In Noord-Amerika broedt hij in zeggemoerassen, veenmoerassen, wilgen- en elzenbroek en natte hooilanden, en overwintert hij tot in rijst- en suikerrietvelden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Alaska en Canada tot in het noorden van de Verenigde Staten, overwinterend van het zuiden van de Verenigde Staten tot in het noorden van Zuid-Amerika. In Europa een dwaalgast: de eerste Britse vogel zat in 1998 op de Scilly-eilanden, en inmiddels staan er ruim tweehonderd waarnemingen op naam, vaak van vogels die maandenlang op dezelfde plas blijven. Op de Azoren is de soort in het najaar bijna jaarlijks.
Waar en wanneer kijken
Ga af op een langdurig overwinterende vogel in Cornwall of in Ierland en neem de tijd: wacht tot hij zich uitrekt of poetst, want alleen dan spreidt hij de staart. Fotografeer verder elke snip die opvliegt, van opzij en van onderen; de achterrand van de vleugel en de bandering van de ondervleugel zijn op een scherpe foto beter te beoordelen dan door de kijker.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In Noord-Amerika is de soort algemeen, met een populatie in de miljoenen; er worden daar jaarlijks ruim negentigduizend vogels geschoten zonder dat dat de aantallen aantast. Verlies van moerassen en aanvaringen met gebouwen en masten zijn de bekendste knelpunten. De Europese gevallen hebben voor de soort geen enkele betekenis.



