Alle soorten › Futen › Futen › Geoorde fuut
Geoorde fuut
Podiceps nigricollis | Eared grebe | Zampullín cuellinegro
Een klein, hoogrond fuutje met een steil voorhoofd en een pluizig, opgewipt achterlijf. In broedkleed draagt het een waaier van goudgele oorpluimen die als vonken over de zwarte kop uitstaan.
Geluid
In kolonies een hoog, klaaglijk en licht stijgend pjiep of oe-iek, vaak in duet en vermengd met een snel trillend gekwetter. Vooral te horen van april tot juni op de broedplaats, in de ochtend en de avond; buiten de kolonie zijn de vogels nagenoeg zwijgzaam.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein en donker, met een dunne, licht opgewipte snavel en een hoge, ronde kruin waarvan het hoogste punt vóór het oog ligt. In broedkleed zwarte kop, hals en borst, kastanjebruine flanken, waaiervormige goudgele oorpluimen en een rood oog. In winterkleed vuilgrijs, met een donkere kruin die tot onder het oog doorloopt en een grijzige wang zonder scherpe grens.
Verwarringssoorten
De kuifduiker is de klassieke verwisseling. De geoorde fuut heeft een fijnere, opgewipte snavel, een steiler voorhoofd met de piek vóór het oog en in winterkleed een grauwe wang met een vuile, onregelmatige begrenzing; de kuifduiker toont een rechte snavel met lichte punt en een scherp afgesneden, helderwitte wang.
Leefgebied
Ondiepe, voedselrijke plassen met veel water- en drijfplanten, vaak in kolonies tussen kokmeeuwen, die bescherming bieden. Buiten de broedtijd op zoute lagunes, zoutpannen, stuwmeren en beschutte kustwateren. Eet vooral insecten en larven van het wateroppervlak en veel minder vis dan de andere futen.
Verspreiding en trek
Verspreid over Europa, met een grillig en van jaar tot jaar verschuivend broedpatroon; in Nederland een schaarse broedvogel van laagveenmoerassen en jonge plassen. In Spanje broedt hij in de zuidelijke lagunes en overwintert hij in enorme aantallen in de zoutpannen van de Ebrodelta, de baai van Cádiz en de Mar Menor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in mei ondiepe plassen met een kokmeeuwenkolonie op en gebruik het strijklicht van de vroege ochtend, want dan lichten de gouden oorpluimen echt op. In augustus en september is het lonend om ruiende groepen op grote wateren te scannen, waar zomer- en winterkleed naast elkaar zwemmen.
Staat van instandhouding
De aantallen schommelen sterk met de waterstand en met het lot van de kokmeeuwenkolonies waarin de soort broedt. Verdroging van laagveen, verlies van drijvende vegetatie en visuitzet drukken op de broedplaatsen, terwijl de belangrijkste overwinterings- en ruigebieden in Zuid-Europa kwetsbaar zijn voor het droogvallen van zoutpannen en lagunes.
Andere soorten in deze familie
Kuifduiker · Fuut · Roodhalsfuut · Dodaars