Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Grote burgemeester
Grote burgemeester
Larus hyperboreus | Glaucous gull | Gavión hiperbóreo
Een bleke reus in de meeuwenzwerm. Er zit nergens zwart in de vogel: de handpennen zijn wit, de mantel is lichtgrijs, en de bouw is zwaar en breedkoppig. In Nederland is het vooral een vogel van visserijhavens en vuilstorten, van december tot in het vroege voorjaar.
Geluid
Diep, schor en trager dan de zilvermeeuw: een grommend gah-gah-gah en een lage, blaffende alarmroep. Overwinteraars in West-Europa zijn vrijwel altijd zwijgzaam en verraden zich zelden met geluid. In de kolonie klinkt een volle lachroep vanaf een richel, zwaarder en langzamer dan alles wat een zilvermeeuw kan.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Adulte vogels hebben een lichtgrijze mantel, een tint bleker dan de zilvermeeuw, en volledig witte handpennen zonder spiegel of zwart. De snavel is geel met een rode vlek op de gonyshoek, het oog bleekgeel met een gele oogring, de poten vleeskleurig roze. Eerstejaars vogels zijn koffie-met-melkkleurig en gelijkmatig fijn gebandeerd, met roomwitte handpennen en een roze snavel met een scherp afgesneden zwarte punt. In een groep zilvermeeuwen steekt de vogel er zichtbaar bovenuit: diepe borst, dikke nek, grote platte kop.
Verwarringssoorten
De enige vergelijking die er echt toe doet is die met de kleine burgemeester. Begin bij formaat en bouw: de grote burgemeester is zwaar en diepborstig, met een stierennek en een vlakke kruin, meestal groter dan een zilvermeeuw; de kleine burgemeester is tenger, met een bolle kop en een zachte, duifachtige uitdrukking. Kijk dan naar de snavellengte en de vorm van het voorhoofd: bij de grote burgemeester is de snavel lang en dik, met een uitgesproken gonyshoek, en loopt het voorhoofd laag en vlak weg, waardoor het oog klein lijkt en ver naar voren staat; bij de kleine burgemeester is de snavel kort en fijn, rijst het voorhoofd steil op en staat het grote oog hoog in een ronde kop. De handpenprojectie voorbij de staart is even hard: bij de grote burgemeester steken de vleugelpunten er nauwelijks uit, korter dan de snavel lang is, zodat de vogel langgerekt en kortvleugelig oogt; bij de kleine burgemeester steken ze duidelijk verder uit dan de snavellengte en oogt de achterkant lang en spits. Bij eerstejaars vogels beslist de snavelpuntbegrenzing: de grote burgemeester heeft een roze snavel met een recht en scherp afgesneden zwart uiteinde over hooguit het buitenste derde deel, terwijl de eerstejaars kleine burgemeester een overwegend donkere snavel heeft waarvan de lichtere basis pas in het tweede jaar doorbreekt en diffuus begrensd blijft. Binnen de kleine burgemeester wijkt kumlieni af van de nominaat: adulte kumlieni hebben grijs pigment in de buitenste handpennen, van vage rookvlekken tot een grijze subterminale tekening, vaak met een donkerder iris, terwijl glaucoides ongetekend witte handpennen houdt; de plaats van kumlieni is omstreden en Europese vogels betreffen vrijwel altijd de nominaat. Ten slotte wordt een gebleekte of albinistische zilvermeeuw met regelmaat voor een burgemeester versleten. Let dan op de handpennen: bij een echte burgemeester zijn schacht en vlag wit en zijn de veertoppen gaaf en afgerond, terwijl een gebleekte zilvermeeuw donkere schachten houdt en versleten, rafelige, half doorschijnende punten heeft, met contrast tussen afgesleten oude en verse donkere veren. Een leucistische zilvermeeuw blijft bovendien een zilvermeeuw in bouw, snavelvorm en pootkleur, en een echte albino heeft een rood oog, terwijl de burgemeester een bleekgeel oog met gele ring heeft.
Leefgebied
Buiten de broedtijd een vogel van visserijhavens, kades, sluizen en vuilstorten, en van slikken en stranden waar aas aanspoelt. In het hoge noorden broedt hij op kliffen, rotswanden en lage eilandjes en foerageert hij langs de ijsrand, bij zeevogelkolonies en achter vissersschepen. De constante is niet het landschap maar de voedselbron: waar vis wordt aangeland of afval wordt gestort, staat de kans op een burgemeester het hoogst.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Circumpolaire broedvogel van Groenland, IJsland, Spitsbergen, Noord-Scandinavië en Arctisch Rusland. Een deel blijft de winter door in het noorden, een deel schuift op naar de Noordzee en het Kanaal. Nederland telt jaarlijks enkele tientallen vogels, overwegend eerstejaars; naar het zuiden toe zakt het aantal snel weg en in Spanje is het een echte zeldzaamheid.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in januari en februari in IJmuiden, de Eemshaven of Scheveningen, het liefst wanneer een kotter binnenloopt en de meeuwen met het schip mee de haven in trekken. Scan de zwerm eerst op de vogel die een maat groter is en waar nergens zwart in zit, en loop daarna de bouw langs, want gebleekte zilvermeeuwen halen op afstand dezelfde truc uit.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in delen van het broedgebied lopen de aantallen terug. De soort staat hoog in de voedselketen en stapelt persistente verontreinigingen op, wat de broedresultaten drukt. Daarnaast spelen de teruggang van visserijafval en, op IJsland en in Noorwegen, veelvuldige kruising met de zilvermeeuw, die de zuivere vogels in gemengde havenpopulaties moeilijk telbaar maakt.




