Alle soortenSteltloperachtigenJagers › Middelste jager

Middelste jager

Stercorarius pomarinus | Pomarine jaeger | Págalo pomarino

De middelste jager is de zwaargebouwde tussenmaat: breed van borst, traag van vleugelslag en bij adulten voorzien van twee gedraaide, lepelvormige staartpennen. Langs onze kust is het bij uitstek een vogel van late herfststormen, met van jaar tot jaar sterk wisselende aantallen.

Middelste jager (Stercorarius pomarinus)
Foto: peterichman — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedkolonie is hij stil: wie hem langs de Nederlandse kust ziet passeren, ziet hem zwijgend voorbijkomen, en dat is het normale beeld. Op de Siberische toendra klinkt bij territoriale vluchten een schor, blaffend wjek-wjek en bij het aanvallen van indringers een kort, nasaal geluid. Omdat het Europese contact met de soort zich vrijwel volledig tot zeetrek beperkt, is de stem voor de veldwaarnemer hier zonder betekenis.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Fors en tonvormig, met een brede vleugelbasis, een zware kop en een dikke, duidelijk tweekleurige snavel waarvan de donkere punt ongeveer de helft beslaat. De vleugelslag is langzamer en stijver dan bij de kleine jager en het silhouet doet eerder aan een kleine grote jager denken dan aan een meeuw. Adulten in lichte vorm hebben een zwarte kap, gele halszijden, een brede en volle donkere borstband en zwaar gebandeerde flanken en onderstaartdekveren; de twee centrale staartpennen zijn verlengd, aan het uiteinde verbreed en om hun as gedraaid, zodat ze als lepels of knopjes ogen — in het najaar zijn ze vaak al gebroken of geruid. Juvenielen zijn kouder grijsbruin dan die van de kleine jager, met een opvallend egale kop, sterk gebandeerde boven- en onderstaartdekveren en een stomp uitstekend staartpuntje; het beste kenmerk op die leeftijd is de dubbele witte vleugelvlek op de ondervleugel, gevormd door lichte handpenbasissen én lichte grote handdekveren.

Verwarrings­soorten

Kleine jager is slanker, met een smallere hand, snellere vleugelslag, fijnere snavel en spitse rechte staartpennen; zijn juvenielen zijn warmer roodbruin, hebben een duidelijk gestreepte kop en slechts één witte vlek op de ondervleugel. Grote jager is nog groter en breder, egaal donkerbruin, zonder lichte onderdelen en met veel grotere witte vleugelvlekken. Kleinste jager is veel kleiner en fijner, met een grijze mantel en nauwelijks wit in de hand. Een forse, donkere jager met dubbele ondervleugelvlek en een dikke bleke snavelbasis in oktober is vrijwel altijd deze soort.

Leefgebied

Broedvogel van natte, laaggelegen kusttoendra in Siberië en Noord-Amerika, waar hij vrijwel geheel op lemmingen jaagt; in slechte lemmingjaren broedt hij niet en zwerft hij de zomer over zee. Overwintert op tropische en subtropische zeeën, gewoonlijk boven het continentaal plat en niet ver uit de kust. Op trek berooft hij meeuwen en alken van hun vangst, eet aas en volgt geregeld visserijschepen — anders dan de kleinste jager, die zich daar zelden bij voegt.

Verspreiding en trek

Broedt niet in Europa; alle Europese waarnemingen betreffen doortrekkers uit Siberië en Groenland. Langs de Nederlandse kust liggen oktober en begin november in de kern van het seizoen, met sterk wisselende aantallen: in invasiejaren enkele honderden vogels, in magere jaren enkele tientallen. In Spanje wordt hij vooral gezien voor de Baskische en Galicische kust en in de Straat van Gibraltar, met een najaarspiek in oktober en november en incidenteel overwinterende vogels.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wacht hier op het weer in plaats van op de datum: een stevige west- tot noordwestenwind van kracht 6 of meer in de tweede helft van oktober geeft de meeste kans, vooral rond opkomend water. Kies een zeetrekpost met diep water dicht onder de kust en scan laag boven de golven — middelste jagers vliegen zwaar en rechtlijnig, vaak los van de meeuwenstroom. In invasiejaren blijven adulte vogels soms dagen boven ondiepe visgronden als de Bruine Bank hangen en zijn ze op een boottocht beter te bekijken dan vanaf het strand.

Staat van instandhouding

Wereldwijd Niet bedreigd (LC), met een grote maar sterk fluctuerende wereldpopulatie. De aantallen die Europa bereiken hangen vrijwel volledig af van de lemmingcyclus in Siberië; het verzwakken van die cyclus door zachtere, nattere arctische winters is de voornaamste zorg voor de lange termijn. Op zee is bijvangst in de visserij lokaal een factor, maar niet bepalend voor de trend.

Andere soorten in deze familie

Kleinste jager · Kleine jager · Grote jager