Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Kleinste jager
Kleinste jager
Stercorarius longicaudus | Long-tailed jaeger | Págalo rabero
De kleinste jager is de lichtste en sierlijkste van de vier, met een sternachtige, verende vlucht en bij adulten twee staartpennen die tot een halve lichaamslengte achter de vogel aan wapperen. Langs de Nederlandse kust is hij een schaarse verschijning, meestal in de laatste dagen van mei of in een najaarsstorm.
Geluid
Buiten de broedkolonie vrijwel altijd zwijgzaam: wie hem langs de Nederlandse kust ziet passeren, hoort niets. Op de toendra is hij wel luidruchtig, met een scherp, nasaal krèh-krèh-krèh in de baltsvlucht en een hard kip-kip bij het aanvallen van indringers bij het nest. Het geluid hoort dus bij het broedgebied en niet bij de zeetrekpost — een opname van een langsvliegende vogel bestaat in de praktijk niet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein en smal gebouwd, met een korte dikke snavel, een lange spitse hand en een lichtgrijze mantel die duidelijk contrasteert met de zwarte achterrand van de vleugel en de zwarte staart. Adulten hebben een nette zwarte kap, een geelwitte hals en een witte borst die zonder scherpe borstband geleidelijk in een grijze buik en zwarte onderstaartdekveren overgaat; de twee centrale staartpennen zijn dun, buigzaam en spits en steken tot zo'n twintig centimeter uit. Beslissend is het handpenpatroon: slechts twee — soms drie — witte schachten, zodat van boven nauwelijks een lichte vleugelvlek te zien is, terwijl de andere jagers een duidelijke witte flits tonen. Juvenielen zijn berucht lastig: koud grijsbruin, met scherp getekende zwart-witte dwarsstrepen op boven- en onderstaartdekveren, vaak een opvallend lichte kop en een kort, stomp uitstekend staartpuntje; het bruikbaarste kenmerk is de tweekleurige snavel, waarvan de donkere punt scherp begrensd is en minder dan de helft van de snavel beslaat.
Verwarringssoorten
Kleine jager is groter en zwaarder, met een langere hand, veel meer wit in de handpennen, meestal een donkere borstband bij lichte adulten en rechte, stijve, spitse staartpennen van vijf tot acht centimeter. Middelste jager is aanmerkelijk forser met een tonvormig lichaam, een zware tweekleurige snavel en bij adulten gedraaide, lepelvormige staartpennen. Grote jager is kolossaal, egaal bruin en heeft brede witte vleugelvlekken. Bij juvenielen zijn de vier soorten alleen op structuur, snavelpatroon en de scherpte van de bandering te scheiden; wie na een paar seconden zeetrek twijfelt, kan de vogel het beste als jager spec. noteren.
Leefgebied
Broedt op droge, open toendra en op stenige bergheide boven de boomgrens in Fennoscandinavië en Rusland, waar hij vrijwel volledig van lemmingen leeft; in slechte lemmingjaren broedt een hele regio soms niet. Buiten de broedtijd is hij volledig pelagisch en overwintert hij boven het open water van de zuidelijke Atlantische Oceaan, ver buiten zicht van land. Op trek jaagt hij minder op andere vogels dan zijn verwanten en pikt hij veel voedsel zelf van het wateroppervlak, waardoor hij zelden achter schepen of sternenkolonies aan hangt.
Verspreiding en trek
Broedt circumpolair; in Europa in de Noorse en Zweedse fjellen, Fins Lapland en Noord-Rusland, met sterk wisselende aantallen. De trekroute loopt grotendeels ver over open zee, waardoor Nederland alleen de randen meekrijgt: enkele tientallen vogels per jaar langs de kust, met een klein voorjaarspiekje eind mei en het zwaartepunt in augustus en september. In Spanje wordt hij vooral voor de Galicische en Baskische kust gezien, op najaarszeetrektellingen en bij pelagische tochten boven de rand van het continentaal plat.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zeetrek is de enige realistische kans: ga in de tweede helft van augustus of begin september naar een pierkop of een vaste zeetrekpost bij aanhoudende noordwestenwind kracht 5 tot 7. De meeste kleinste jagers passeren in de eerste uren na zonsopgang, hoog en snel en meestal los van de meeuwenstroom. Eind mei kan bij noordoostenwind een adulte vogel in vol kleed langskomen; dat is het enige moment waarop determinatie echt eenvoudig is.
Staat van instandhouding
Wereldwijd Niet bedreigd (LC), met een grote wereldpopulatie, maar de Fennoscandische aantallen schommelen enorm met de lemmingcyclus. Het verzwakken van die cyclus in warmere, nattere winters is de voornaamste zorg: zonder lemmingpieken broeden hele gebieden jarenlang vrijwel niet. Op zee is hij weinig kwetsbaar voor de visserij, omdat hij anders dan de grotere jagers zelden achter schepen aankomt.