Alle soorten › Pinguïns

Pinguïns | Sphenisciformes

Penguins | Esfenisciformes

Zeevogels waarbij de vleugel tot een stijve, smalle peddel is geworden: de gewrichten van elleboog en pols zijn vrijwel vastgezet, zodat het hele blad als één stuk beweegt en de vogel onder water werkelijk vliegt in plaats van roeit. De botten zijn massief en zwaar in plaats van hol, wat het duiken goedkoop maakt. De veren staan dicht opeen als dakpannen en zijn kort en stijf, met een donsdek aan de basis dat een laag lucht vasthoudt; onder de huid ligt vet. In de poten en de vleugels loopt het warme bloed langs het koude terug, zodat de warmte in het lichaam blijft. Op het land staan ze rechtop op korte, ver naar achteren geplaatste poten; ze eten uitsluitend op zee en broeden aan wal.

Families in deze orde

  • Pinguïns | Spheniscidae9 soortenDe kleinste soort van de familie, de dwergpinguïn, weegt ongeveer een kilo en komt pas na zonsondergang aan land; hij loopt dan in groepjes over het strand naar een hol onder een struik of onder een huis. De geeloogpinguïn doet het omgekeerde: hij broedt niet in een kolonie maar apart, in bos of dichte struiklaag, en verdraagt het niet als het nest vanaf het volgende nest te zien is. De kuifpinguïns van de subantarctische eilanden leggen twee eieren van ongelijke grootte, waarvan er in de regel maar één een jong oplevert. Eén keer per jaar worden alle veren tegelijk vervangen: de vogel staat dan twee tot drie weken aan land, kan niet zwemmen, eet niet en verliest bijna de helft van zijn gewicht. Buiten die tijd wordt vrijwel alles op zee gedaan, tot enkele honderden kilometers uit de kust.