Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Australische koekoeksduif
Australische koekoeksduif | Macropygia phasianella
Brown Cuckoo-Dove | Tórtola cuco parda
De Australische koekoeksduif is de langstaartige duif van de oostelijke regenwoudrand: roodbruin, slank, met een staart die bijna de helft van de vogel uitmaakt en die hij bij het balanceren op een dunne tak als een roer gebruikt. Hij leeft vrijwel uitsluitend van vruchten en is daarmee een van de belangrijkste zaadverspreiders van het kustbos.
Geluid
De roep is een luide tweelettergreep die aan het eind omhoogschiet: woep-a-woep, eindeloos herhaald vanuit de bovenlaag van het bos en vooral in de vroege ochtend. Van dichtbij klinkt daarnaast een enkelvoudig, doffer koew. Het geluid draagt ver door gesloten bos en verraadt de vogel meestal voordat er iets te zien is.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke duif van veertig tot drieënveertig centimeter met een lange, brede en getrapte staart en korte, afgeronde vleugels. Het mannetje is warm roodbruin, donkerder op rug en staart, met een roze en groene glans op nek en achterhals. Het vrouwtje is doffer, met fijne donkere bandering op hals en borst en een grijzere kop; jonge vogels zijn over het hele kleed schubvormig getekend. In de vlucht is het silhouet onmiskenbaar: enkele korte klapslagen en dan een glijvlucht door het bladerdak, met de lange staart gespreid.
Verwarringssoorten
De parelhalstortel (Spilopelia chinensis), ingevoerd en in dezelfde tuinen algemeen, heeft eveneens een lange staart, maar is grijsbruin met een zwarte, wit gestippelde halsvlek en witte staarthoeken. De smaragdduif (Chalcophaps longirostris) deelt het regenwoud met hem, maar heeft groene vleugels, een korte staart en vliegt laag en recht onder het bladerdak door. Binnen het gebied is er geen tweede koekoeksduif: elke langstaartige bruine duif in het oostelijke bos is deze soort.
Leefgebied
Regenwoud en de randen ervan, opslag na kap, nat eucalyptusbos met een gesloten onderlaag, en in het noorden moessonbos. Hij volgt de vrucht en komt daarvoor tot in tuinen, langs wegbermen en op verruigde percelen met wilde tabak en lantana. Aaneengesloten droog bos en het binnenland mijdt hij; zijn areaal houdt op waar het gesloten bos ophoudt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Langs de oostkust van Weipa en Aurukun op Kaap York tot Bega in het zuiden van Nieuw-Zuid-Wales, landinwaarts tot de Atherton Tableland en Toowoomba. Hij trekt niet, maar zwerft met het vruchtaanbod mee en verplaatst zich buiten de zomer van de hooglanden naar de laagvlakte. In het zuiden van het areaal heeft hij zich uitgebreid met de opmars van uitheemse vruchtdragende struiken, en hij houdt zich daar nu ook in stadsranden op.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een vruchtdragende boom of struik aan de bosrand — een wilde tabak, een pluk lantana of een vijg — en wacht; de vogels komen er in de vroege ochtend en in de late namiddag op af. Let bij het klimmen door de takken op de lange staart, die telkens tegen het blad slaat en de vogel verraadt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), algemeen over het hele areaal en op veel plaatsen toegenomen. De kap van kustregenwoud heeft hem in de vorige eeuw teruggedrongen, maar opslag en uitheemse vruchtdragers hebben dat verlies goeddeels goedgemaakt. Verliezen door ruiten en katten in tuinwijken zijn plaatselijk en niet bepalend.
Wetenschappelijke naam
Macropygia phasianella | (Temminck, 1821)
Temminck beschreef de soort in 1821 als Columba phasianella; door de latere plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Macropygia werd in 1837 ingevoerd door Swainson, naar het Griekse makros, 'lang', en pyge, 'stuit', naar de lange staart. phasianella betekent 'kleine fazant', naar diezelfde gelijkenis. De typelocatie ligt bij Port Jackson in Nieuw-Zuid-Wales.



