Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Bosruiter

Bosruiter | Tringa glareola

Wood Sandpiper | Andarríos bastardo

De bosruiter is de zoetwaterruiter van het noorden van Australië: een kleine, fijn gebouwde steltloper van ruim twintig centimeter, van boven dicht bezaaid met lichte spikkels, met een lange lichte wenkbrauwstreep en geelgroene poten. Anders dan de meeste steltlopers hier staat hij zelden op het wad — zoek hem op ondergelopen graslanden, rijstvelden en de begroeide randen van binnenlandse poelen.

Bosruiter (Tringa glareola)
Foto: Hobbyfotowiki — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een hoog, opgewekt en snel driedelig tjif-if-if, scherper en haastiger dan het volle fluitje van de groenpootruiter en met een opwaartse klank aan het eind. Bij opvliegen klinkt hij bijna altijd, en in een groepje wordt het een druk, hoog gepiep dat boven het riet uit gaat. Bij onrust op de grond gaat hij over op een herhaald, kort tjip. Zijn zangvlucht, een jodelend tluu-hie tluu-hie, is hier niet te horen: die hoort bij het broedgebied in het noorden van Eurazië.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, slanke ruiter van twintig tot drieëntwintig centimeter, van boven donker grijsbruin en dicht bezaaid met lichte vlekjes en spikkels, met een gevlekte borst die scherp tegen de witte buik afsteekt. De lichte wenkbrauwstreep loopt duidelijk tot voorbij het oog door en geeft de kop een vriendelijke uitdrukking. De snavel is kort, recht en dun, donker met een groenige basis, niet langer dan de kop. De poten zijn geelgroen en betrekkelijk lang. In de vlucht is er geen vleugelstreep, maar wel een vierkant wit stuitvlak — niet de lange wig van de groenpoot- en poelruiter — en de tenen steken duidelijk voorbij de staart uit; de ondervleugel is licht.

Verwarrings­soorten

De poelruiter (Tringa stagnatilis) is bleker en fijner, met een naaldfijne snavel en een lange witte wig over de rug in plaats van een vierkante stuit, en mist de spikkelrijke bovenzijde. De groenpootruiter (Tringa nebularia) is veel groter en heeft dezelfde witte wig. De tureluur (Tringa totanus) heeft oranjerode poten en brede witte achtervleugelranden. De oeverloper (Actitis hypoleucos) staat veel lager op de poten, wipt onophoudelijk met de staart, heeft een witte wig tussen borstzijde en vleugelboeg en toont in de vlucht juist wél een opvallende witte vleugelstreep. Buiten dit groepje wordt hij vooral met de siberische strandloper (Calidris acuminata) verward, die op dezelfde zoetwaterplassen staat: die heeft echter een roodbruine kruin, een kortere snavel, kortere en dofgelige poten en een donker middenveld op de stuit.

Leefgebied

Bijna uitsluitend zoet en ondiep: binnenlandse moerassen en ondergelopen graslanden, poelen en veedrinkplaatsen met opschietend riet en gras, claypans die na de regens vollopen, rijstvelden en waterzuiveringsvijvers, en bij voorkeur randen waar dood hout, gras of rietstengels dekking geven. Hij loopt daar hoogbenig en fijntjes doorheen, prikt in de modder of pikt van het oppervlak, zwemt goed en maait soms met de snavel onder water heen en weer. Op zoute getijdenplaten staat hij zelden.

Verspreiding en trek

Vooral het noorden van Australië, van de Kimberley door het Top End tot in de Golf van Carpentaria en Kaap York, waar hij in het natte seizoen op de ondergelopen vlakten talrijk kan zijn; naar het zuiden toe wordt hij snel schaarser en in Tasmanië is hij een zeldzaamheid. De vogels arriveren vanaf augustus en september en vertrekken in maart en april, en juist omdat hij binnenlands zit, verschuiven zijn aantallen met de moessonregens mee. Nieuw-Zeeland en Norfolk staan niet op zijn route: in de metingen van deze gids is hij alleen in Australië vastgesteld.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet op het wad maar landinwaarts, aan de begroeide rand van een ondergelopen vlakte of een veedrinkpoel in het noorden, het liefst vroeg in de ochtend. Hij vliegt al bij grote afstand op met zijn hoge tjif-if-if, en juist dat opvliegen geeft het kenmerk prijs: kijk naar de stuit en beslis of het wit een vierkant vlak is of een punt die de rug op loopt. Een vierkant maakt er een bosruiter van.

Staat van instandhouding

Niet in gevaar (LC): de soort broedt in een brede band door het noorden van Eurazië, van Scandinavië tot Kamtsjatka, en telt wereldwijd miljoenen vogels. Op deze trekweg heeft hij een voordeel op zijn kustgebonden verwanten, want hij gebruikt zoetwatermoerassen en rijstvelden die niet worden ingepolderd zoals de slikplaten rond de Gele Zee. In Australië zelf hangt hij af van de natuurlijke overstromingscyclus van de noordelijke vlakten: waterbeheer dat de nattijd inkort of de moerassen vast onder water zet, neemt de ondiepe randen weg waar hij van leeft.

Wetenschappelijke naam

Tringa glareola | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa glareola, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven; als typelocatie gold eerst heel Europa, later beperkt tot Zweden. Het epitheton is een verkleinwoord bij het Latijnse glarea, 'grind', naar de kiezelige oevers waar de vogel graag foerageert. De geslachtsnaam Tringa gaat via het Neolatijn terug op het Griekse trungas bij Aristoteles. De Nederlandse naam is misleidend, want een bosvogel is hij niet: hij dankt de naam aan zijn gewoonte in het broedgebied in moerasbos te nestelen, soms in oude lijsternesten in een boom.