Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Chathamstormvogel
Chathamstormvogel | Pterodroma axillaris
Chatham Islands Petrel | Petrel de las Chatham
De chathamstormvogel is een kleine gladiolenstormvogel die op de hele wereld nog maar op één klein eiland van de Chathameilanden in aantal broedt. Hij is van boven grijs en van onderen wit, en wordt vastgelegd door één kenmerk: een zwarte vlek in de 'oksel' van de ondervleugel, waar de vleugel aan het lichaam vastzit.
Geluid
Op zee zwijgt hij. Bij de kolonie is hij 's nachts luidruchtig: het mannetje roept vanuit de lucht en vanaf de grond een hoog en snel herhaald wis-wis-wis, het vrouwtje antwoordt met een diepere jap-jap-jap, en beide geslachten maken vanuit het hol een snorrend, pruttelend geluid.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een stormvogel van dertig centimeter, van boven donkergrijs met een donkerder M over de vleugels, en van onderen wit. Het voorhoofd is grijswit gevlekt, zodat de kop op afstand een vaag, onduidelijk begrensd petje lijkt te dragen. De snavel is zwart met een sterk gehaakte punt, het oog donker, de poten en voeten roze. Beslissend is de ondervleugel: een zwarte schuine balk loopt van de voorrand naar binnen en eindigt in een opvallend zwart okselveld waar de vleugel het lichaam raakt — een zwarte oksel die geen andere kleine stormvogel van dit gebied zo bezit. Man, vrouw en jong zijn gelijk.
Verwarringssoorten
Dit is de lastigste hoek van een lastig geslacht. De zwartvleugelstormvogel (Pterodroma nigripennis), even groot en in dezelfde wateren algemeen, heeft dezelfde zwarte diagonaal maar veel minder zwart op de binnenste ondervleugel en mist het zwarte okselveld; dat is het enige kenmerk waarop de twee op zee betrouwbaar te scheiden zijn, en het is alleen bij goed licht en van dichtbij te zien. De cook-stormvogel (Pterodroma cookii) is iets kleiner en veel lichter grijs van boven, met een bijna geheel witte ondervleugel waarop slechts een dun donker streepje langs de voorrand staat. De gould-stormvogel (Pterodroma leucoptera) heeft juist een veel donkerdere, scherp afgetekende zwarte kap tot onder het oog, tegenover het vaag gespikkelde voorhoofd van de chathamstormvogel. De regenstormvogel (Pterodroma inexpectata) is groter, heeft een donkere buikvlek en een witter ondervleugelvlak. Wie geen foto van de oksel heeft, laat de waarneming beter open.
Leefgebied
Open oceaan boven diep water buiten het continentaal plat, waar hij vooral op inktvis en kleine vis jaagt. Broeden doet hij in holen die hij in de bosbodem graaft, onder het lage kustbos en de varens van een roofdiervrij eiland; de holen liggen dicht bij die van veel talrijkere andere buisneuzen, en juist dat is zijn probleem.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch op de Chathameilanden en nergens anders broedend. De hele wereldpopulatie broedt op Rangatira, ook South East Island genoemd, een eiland van 218 hectare; door verplaatsing van jongen zijn sinds 2002 nieuwe kolonies op Pitt Island en op het hoofdeiland Chatham gesticht. Buiten de broedtijd trekt hij ver de Grote Oceaan op, tot bij de Nazcarug ten westen van Peru en Chili. Op zee rond het Nieuw-Zeelandse vasteland wordt hij vrijwel nooit gezien, zodat de kans op een ontmoeting praktisch tot de wateren rond de Chathams beperkt blijft.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Dit is geen soort die je zomaar tegenkomt. De enige reële kans is een boottocht in de wateren rond de Chathameilanden tussen december en mei, wanneer de vogels het hol bezetten; kijk dan naar kleine, snel buitelende stormvogels en fotografeer bij elke vogel de ondervleugel, want alleen de zwarte oksel maakt de determinatie rond. Op land zijn de kolonies beschermd gebied waarvoor toestemming nodig is.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU), en naar Nieuw-Zeelandse maatstaven 'nationaal kwetsbaar': ongeveer tweeduizend vogels, waarvan er zo'n tweehonderd holen jaarlijks worden gecontroleerd. De grootste bedreiging is niet een roofdier maar een buurman: breedbekprionen (Pachyptila vittata) dringen de holen binnen op zoek naar een nestplaats en doden daarbij ei en jong. De oplossing is eenvoudig en doeltreffend gebleken — een kunstmatig hol met een neopreen flap voor de ingang, die de veel kleinere prion buitenhoudt — en het broedsucces steeg daardoor van ongeveer dertig procent naar zeventig tot tachtig procent, in het seizoen 2005/06 zelfs tot 83 procent. Tussen 2002 en 2011 werden vierhonderd jongen naar nieuwe eilanden overgebracht om de soort niet langer van één plek te laten afhangen; sinds 2003 vliegen jaarlijks honderd tot honderdvijftig jongen uit en groeit de populatie.
Wetenschappelijke naam
Pterodroma axillaris | (Salvin, 1893)
De Britse ornitholoog Osbert Salvin beschreef de soort in 1893 als Oestrelata axillaris; omdat ze sindsdien in een ander geslacht staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, uit het Grieks voor 'vleugel' en 'loper'. axillaris is Latijn voor 'van de oksel' en slaat precies op het zwarte okselveld dat de soort van al haar dubbelgangers scheidt — een van de gelukkigste naamkeuzes in dit geslacht. De typelocatie zijn de Chathameilanden; de Māori-naam is ranguru.

