Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Dikbekprion
Dikbekprion | Pachyptila crassirostris
Fulmar Prion | Prión picogrueso
De dikbekprion is een Nieuw-Zeelandse eilandvogel die bijna niemand ooit van een boot afziet: een kleine, compacte walvisvogel van de Bounty-eilanden, de Snares en de Aucklandeilanden, met een gedrongen blauwgrijze snavel en een brede zwarte staartpunt. Hij lijkt als twee druppels water op de duifprion, en het verschil zit vrijwel volledig in de zwaarte van die snavel.
Geluid
Als enige prion van deze zes roept hij ook overdag, en dan uitgerekend niet 's nachts: op de Bounty-eilanden, waar geen roofdier zit en de vogels open tussen de rotsen broeden, zijn ze bij daglicht luidruchtig en na zonsondergang juist stil. Het mannetje heeft een vierdelige roep die in de Nieuw-Zeelandse literatuur als what-not-to-do wordt weergegeven; het vrouwtje antwoordt met een slepender, koerende roep van drie noten. Op zee zwijgt hij, zoals alle prions.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Ongeveer 26 cm lang en 140 g zwaar. Blauwgrijs van boven met de gebruikelijke zwarte M van vleugelpunt tot vleugelpunt, van onderen overwegend wit, met een duidelijke witte wenkbrauwstreep en blauwe poten met bleker zwemvlies. Twee dingen tekenen hem: de zwarte staartpunt is breed en scherp afgezet, breder dan bij de vier grootsnavelige prions, en de snavel is kort maar opvallend stevig en 'blokkig' — blauwgrijs, met een grote nagel op de punt van de bovensnavel en een kleine tussenruimte tussen de neusbuis en die nagel. Op zee ziet hij er wit-en-blauw en gedrongen uit, met een snellere, stijvere vleugelslag dan de grotere prions.
Verwarringssoorten
De duifprion (Pachyptila turtur) is de echte tweelingsoort: net iets kleiner (25 cm, 120 g) en met een slanker, minder blokkig snaveltje, een kleinere nagel op de bovensnavel en een grótere tussenruimte tussen neusbuis en nagel. Op zee zijn de twee niet betrouwbaar te scheiden; in de hand of op een scherpe kopfoto wel. Ook de pas in 2022 afgesplitste pyramideprion (Pachyptila pyramidalis) van The Pyramid bij de Chathams valt in deze groep: die heeft een nog zwaardere snavel dan de dikbekprion. De vier grootsnavelige prions vallen af op snavelbreedte en een smallere zwarte staartpunt: de dunbekprion (Pachyptila belcheri, 9,5–12,5 mm) met zijn bleke gezicht, de antarctische prion (Pachyptila desolata, 11–15,5 mm), salvins prion (Pachyptila salvini, 13,5–17,5 mm) en de breedbekprion (Pachyptila vittata, 18,7–24,3 mm) met zijn hoge voorhoofd en donkere kop.
Leefgebied
Subantarctische zee en de koele zee rond de zuidelijke eilandengroepen; over zijn verblijf buiten het broedseizoen is opvallend weinig bekend, want hij komt zelden in de buurt van de kust van de hoofdeilanden. Hij eet kleine kreeftachtigen en ander dierlijk plankton van het oppervlak. Anders dan de meeste prions graaft hij nauwelijks: hij broedt in spleten en holten in kale rots en onder keien, vaak op kliffen en rotsplateaus waar geen tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) groeit — op de Bounty-eilanden, die volledig uit kaal graniet bestaan, zit hij tussen de pinguïns en aalscholvers in.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Een broedvogel van Nieuw-Zeeland en nergens anders. De nominaatvorm broedt op de Bounty-eilanden en op de Snares; de kleinere ondersoort flemingi, de kleine dikbekprion, zit op de Aucklandeilanden — op Ewing, Ocean, Rose, Disappointment en Monumental Island. Op zee is hij vooral rond die eilandengroepen te zien; hij bereikt de kust van het Zuider- en Noordereiland zelden en in Australië is hij een grote zeldzaamheid met maar een handvol aanvaarde gevallen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De enige plek waar deze vogel voorspelbaar is, is vanaf de boot bij de Bounty-eilanden of de Snares in het broedseizoen, op een subantarctische eilandencruise; daar vliegen ze overdag vlak bij het schip en roepen ze zelfs. Elders geldt: ga er niet van uit dat een kleine prion met brede staartpunt deze soort is — de kans dat het een duifprion is, is honderden malen groter. Fotografeer de kop in profiel én recht van voren, en let op de grootte van de nagel en op hoe dicht de neusbuis tegen die nagel aan ligt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) volgens de IUCN, maar de totale stand ligt onder de 32.000 paren, en dat is voor een zeevogel weinig. In de Nieuw-Zeelandse classificatie heet hij van nature schaars, en de ondersoort flemingi van de Aucklandeilanden staat als nationaal kwetsbaar te boek. De grootste bedreiging zijn ingevoerde roofdieren: ratten, katten, varkens en muizen op de eilanden die nog niet schoon zijn. Daarnaast tellen jagers die volwassen vogels slaan, en het risico van een olieramp, dat bij een soort met zo weinig broedplaatsen zwaar weegt.
Wetenschappelijke naam
Pachyptila crassirostris | (Mathews, 1912)
Mathews beschreef de vorm in 1912 als Pseudoprion turtur crassirostris — dus aanvankelijk als ondersoort van de duifprion, wat meteen laat zien hoezeer de twee op elkaar lijken. Omdat het geslacht veranderde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. crassirostris betekent 'dikbekkig', van Latijn crassus 'dik' en rostrum 'snavel'; de Nederlandse gidsnaam is daarvan de letterlijke vertaling. De typelocatie is Bounty Island. Het geslacht Pachyptila werd in 1811 ingevoerd door Illiger, uit Grieks pakhus 'dik' en ptilon 'veer'.


