Alle soortenStormvogelachtigenPijlstormvogels › Duifprion

Duifprion | Pachyptila turtur

Fairy Prion | Petrel-paloma chico

De duifprion is de kleinste van de zes walvisvogels en veruit de talrijkste in dit kaartvenster: een handzaam blauwgrijs-en-wit zeevogeltje van amper een kwart meter, dat in snelle, zwenkende troepen laag over de golven schiet. Zijn kenmerk is de staart: de zwarte punt is breed en scherp afgezet, breder dan bij elke andere prion behalve zijn eigen tweelingsoort.

Duifprion (Pachyptila turtur)
Foto: Christopher Stephens — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij. In de kolonie is hij 's nachts luidruchtig: uit de holen komt een hard, ratelend gekwetter en een zachter koeren, en vogels die boven de helling cirkelen roepen kort en hoog. Een kolonie op een eiland als Takapourewa klinkt in een windstille nacht als een aanhoudend gorgelen dat uit de grond zelf lijkt te komen. De Māori-naam tītī wainui hoort bij dat nachtelijke koor.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Ongeveer 25 cm lang en 120 g zwaar, met een spanwijdte van rond 56 cm — de kleinste prion. Blauwgrijs van boven met de zwarte M van vleugelpunt tot vleugelpunt, wit van onderen, blauwe poten en een blauw snaveltje. De gezichtstekening is vager dan bij de andere prions: de oogstreep is zwak en de wenkbrauw weinig opvallend, zodat de kop egaal grijs oogt. Het snaveltje is kort en tamelijk gedrongen maar mist de kamvormige lamellen langs de bovensnavelrand die de grote prions hebben. Beslissend voor wie hem op zee ziet is de brede zwarte staartpunt, die bij het draaien van een troep als een streep meeknipt.

Verwarrings­soorten

De dikbekprion (Pachyptila crassirostris) is zijn evenbeeld en op zee niet betrouwbaar van hem te scheiden: die is iets groter (26 cm, 140 g) en heeft een duidelijk stevigere, blokkiger snavel met een grotere nagel op de punt en een kleinere tussenruimte tussen neusbuis en nagel. Dezelfde regel geldt voor de in 2022 afgesplitste pyramideprion (Pachyptila pyramidalis), die een nog zwaardere snavel heeft. De vier grootsnavelige prions vallen af op de smallere zwarte staartpunt en op de snavel: de dunbekprion (Pachyptila belcheri) met 9,5–12,5 mm en een bleek gezicht met brede witte wenkbrauw, de antarctische prion (Pachyptila desolata) met 11–15,5 mm, salvins prion (Pachyptila salvini) met 13,5–17,5 mm en de breedbekprion (Pachyptila vittata) met 18,7–24,3 mm, een hoog voorhoofd en een donkere kop en bovenborst. Wie ver weg een klein prionachtig vogeltje ziet zonder de staart te hebben gezien, doet er goed aan het bij 'prion spec.' te laten.

Leefgebied

Blootgestelde kustwateren en zee boven het continentaal plat, vooral van Cookstraat zuidwaarts; anders dan veel verwanten blijft hij graag binnen bereik van zijn kolonie en mijdt hij beschutte baaien en fjorden. Hij pikt kleine kreeftachtigen, kril en ander dierlijk plankton van het oppervlak, deels zwemmend, deels hydroplanend met open vleugels. Broedt in holen, rotsspleten en onder keien op eilanden en steile kustkliffen, onder tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland), Poa-zode of laag struweel.

Verspreiding en trek

De grootste kolonie van de soort — en een van de grootste zeevogelkolonies van Nieuw-Zeeland — ligt op Takapourewa (Stephens Island) in Cookstraat, met ongeveer 1,83 miljoen paren. Verder broedt hij op de Poor Knights, op eilandjes in de Marlborough Sounds, op Mangere in de Chathams, op de Snares, op Antipodeneiland en op eilandjes in Foveauxstraat en rond Stewarteiland. In Australië broedt hij op de eilanden van Straat Bass en verder langs de zuidoostkust; de zuidelijke vorm wordt daar apart gevoerd als Pachyptila turtur subantarctica. Op zee is hij in Australische en Nieuw-Zeelandse wateren de prion die je het vaakst tegenkomt, met in de winter grote aantallen voor de zuidkust.

  • Jaarrond
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Neem in Nieuw-Zeeland de veerboot over Cookstraat: in de zomer scheren duifprions in troepen langs het schip, en dat is de goedkoopste prion van het zuidelijk halfrond. In Australië werkt elke pelagische tocht uit Wollongong, Port Fairy of Eaglehawk Neck. Kijk niet naar de rug, want die is bij alle prions gelijk, maar naar de staart wanneer een troep draait: een brede zwarte punt betekent duifprion of dikbekprion, en in negen op de tien gevallen het eerste.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een wereldstand in de miljoenen; in Nieuw-Zeeland geldt hij niettemin als relict, omdat hij van het vasteland vrijwel is verdwenen en alleen nog op roofdiervrije of steile, ontoegankelijke plekken standhoudt. Verwilderde katten, ratten en weka's roven eieren, jongen en zelfs volwassen vogels; jagers en australische bruine kiekendieven (Circus approximans) pakken vogels die overdag boven land komen. Na zware westerstormen spoelen er duizenden dood aan op de westkuststranden, een verlies dat de soort normaal binnen enkele jaren opvangt.

Wetenschappelijke naam

Pachyptila turtur | (Kuhl, 1820)

Kuhl beschreef de soort in 1820 als Procellaria turtur; omdat het geslacht sindsdien veranderde, staan auteur en jaartal tussen haakjes, en het oorspronkelijke werk vermeldt geen typelocatie. turtur is het Latijnse woord voor tortelduif, naar het formaat, het blauwgrijze kleed en het koerende geluid — dezelfde gedachte die achter de Nederlandse gidsnaam duifprion zit. Het geslacht Pachyptila werd in 1811 ingevoerd door Illiger, uit Grieks pakhus 'dik' en ptilon 'veer'. De Māori-naam is tītī wainui.