Alle soortenDuifachtigenDuiven › Harlekijnduif

Harlekijnduif | Phaps histrionica

Flock Bronzewing | Paloma bronce arlequín

De harlekijnduif is de duif van de binnenlandse grasvlakten en van het grote getal: een zandkleurige, slanke bronsvleugelduif met een scherp zwart-wit geschilderde kop, die in troepen rondzwerft en verschijnt waar toevallig regen is gevallen. Van alle Australische duiven is hij de meest nomadische; een streek kan jaren leeg zijn en dan plotseling vol zitten.

Harlekijnduif (Phaps histrionica)
Foto: G. Winterflood — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een opvallend zwijgzame duif. Wat er is, is een zachte, lage en korte koer, weinig meer dan een gedempt oem, dat over open vlakte nauwelijks draagt en dat je in de praktijk zelden hoort. Het geluid waaraan je de soort werkelijk herkent is mechanisch: het zware, zoevende geruis van tientallen tot honderden paren vleugels wanneer een troep tegen zonsondergang laag en snel over de grasvlakte naar een drinkplaats aan komt vallen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote, slanke duif van rond de dertig centimeter, van boven roodachtig zandbruin — precies de kleur van het droge Mitchellgras — met grijze kleine vleugeldekveren. De kop maakt de soort: bij het mannetje is die grotendeels zwart met een wit voorhoofd, een witte keelvlek en een witte streep die vanachter het oog naar voren buigt en de oorstreek bijna insluit, waardoor het gezicht als beschilderd oogt. De snavel is zwart, het oog donkerbruin. Het vrouwtje heeft een zandbruin voorhoofd en een kruin en een veel dofferder zwart-witte gezichtstekening, en mist de witte toppen aan de handpennen die het mannetje in de vlucht laat zien. Jonge vogels zijn nog bleker en vrijwel ongetekend.

Verwarrings­soorten

De bronsvleugelduif (Phaps chalcoptera) is groter en zwaarder, olijf- tot aardbruin in plaats van zandkleurig, met een witte lijn onder het oog maar zonder het zwart-witte maskerpatroon, en met glanzende vleugelspiegels die de harlekijnduif zo goed als mist; bovendien is hij vrijwel overal aan te treffen terwijl de harlekijnduif aan open vlakte vastzit. De struikbronsvleugelduif (Phaps elegans) is donker olijfbruin met kastanjebruine nek en keelvlek en leeft in dichte kustheide in het zuiden — areaal en biotoop sluiten verwisseling praktisch uit. In het binnenland kruist hij wel de spinifexduif (Geophaps plumifera), maar die is roodbruin gebandeerd, heeft een lange rechtopstaande kuif en kale rode huid om het oog, en houdt zich juist aan rotsig spinifexterrein.

Leefgebied

Open, boomloze tot spaarzaam begroeide vlakten in het droge binnenland: Mitchellgrasland op zwarte kleivlakten, pollengrasland met lage struiken, en de randen van claypans en efemere meren. Hij foerageert lopend op de bodem op graszaad en broedt in een kuiltje op de grond, met wat gras en takjes gevoerd, meestal in de luwte van een graspol. Water is de enige plaats waar hij zich concentreert.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het droge binnenland van Australië, met de Barkly Tablelands van het oostelijke Noordelijk Territorium en westelijk Queensland als kerngebied en bolwerk. Daarbuiten verschijnt hij onregelmatig in de Kimberley in West-Australië, in het noorden van Zuid-Australië en in het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales — waar hij is, hangt af van waar het het laatst heeft geregend. Op de Liverpool Plains in Nieuw-Zuid-Wales, waar de soort in 1839 werd ontdekt, komt hij niet meer voor. Buiten Australië ontbreekt hij, ook op Nieuw-Zeeland.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet, maar zoek zijn water: ga in de late middag bij een dam, een boorput of een resterende poel op een Mitchellgrasvlakte staan en wacht tot het laatste uur voor zonsondergang, wanneer de troepen in golven laag komen aanvliegen, even drinken en weer weg zijn. Reis erheen na een goed regenseizoen — in droge jaren kan dezelfde streek maandenlang volstrekt leeg blijven.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), maar wel met een duidelijk kleiner verhaal dan vroeger. Uit de negentiende eeuw en het begin van de twintigste zijn troepen van ongekende omvang beschreven — honderdduizend vogels bij één drinkplaats in 1931, vijftigduizend in één troep in 1972 — en zulke aantallen worden niet meer gemeld. Begrazing door vee nam het graszaad en de dekking weg waar de soort voor voedsel en nesten van afhangt, en dat kostte hem het zuidoostelijke deel van zijn areaal. Tegenover die druk staat dat kunstmatig water op veehouderijen zijn bewegingsruimte in het binnenland juist heeft vergroot, zodat de soort in haar kerngebied nog talrijk is.

Wetenschappelijke naam

Phaps histrionica | (Gould, 1841)

John Gould beschreef de soort in 1841 in The Birds of Australia en plaatste haar aanvankelijk in het geslacht Peristera; auteur en jaartal staan daarom tussen haakjes nu de vogel in Phaps staat, het geslacht dat Selby in 1835 invoerde en waarvan de naam het Oudgriekse woord voor een wilde duif is. Het epitheton histrionica betekent 'van de toneelspeler' en verwijst naar de theatrale zwart-witte gezichtsbeschildering — dezelfde beeldspraak die in het Nederlands 'harlekijn' opleverde. De typelocatie is de Mooki River op de Liverpool Plains in Nieuw-Zuid-Wales, waar Gould de vogel in 1839 aantrof.