Alle soortenStormvogelachtigenPijlstormvogels › Kerguelenstormvogel

Kerguelenstormvogel | Aphrodroma brevirostris

Kerguelen Petrel | Petrel de las Kerguelen

De kerguelenstormvogel is een geheel roetgrijze buisneus van de Zuidelijke Oceaan met een opvallend grote kop, een steil voorhoofd en een korte, hoge, zware snavel. Hij valt vooral op door zijn vlucht: hij torent in steile bogen op tot dertig meter boven de golven en laat zich dan weer vallen, en trekt zich van schepen weinig aan. In dit kaartvenster is hij vooral bekend als strandvondst na winterstormen.

Kerguelenstormvogel (Aphrodroma brevirostris)
Foto: Алексей Логинов — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee volledig stil, en zelfs in de kolonie is hij opmerkelijk zwijgzaam voor een stormvogel. 's Nachts klinkt bij de holen een piepend, hijgerig tsjie-tsjie-tsjee, en verder weinig. In dit gebied zul je hem nooit horen: hij broedt hier niet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Vierendertig centimeter en zo'n driehonderdvijftig gram, maar de vogel oogt door zijn korte staart en grote kop compacter en gedrongener dan dat. Het kleed is egaal roetgrijs, van boven en van onder, met bij goed licht een zilverachtige glans op de basis van de handpennen aan de onderzijde; nergens een patroon, geen bleke kop, geen witte buik. Snavel zwart, kort en in zijaanzicht opvallend diep, met forse neusbuizen en een stevige haak; poten roze met zwart. De vlucht is het kenmerk waarop hij op afstand te herkennen is: ongedurig, snel, steil klimmend in hoge bogen en met weinig belangstelling voor de boot.

Verwarrings­soorten

De langvleugelstormvogel (Pterodroma macroptera) is de eerste kandidaat: groter, met langere vleugels, een grijzer gezicht rond de snavelbasis en een veel zwaardere, langere snavel, en hij vliegt tragere, bredere bogen. De Solanders stormvogel (Pterodroma solandri) is eveneens donker maar toont witte vlekken aan de handpenbasis op de ondervleugel en een bleek gespikkeld gezicht. De grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea) is langer en slanker, met een lange dunne snavel en een zilverwitte baan midden op de ondervleugel. De Procellaria-stormvogels — zwarte stormvogel (Procellaria parkinsoni), westlandstormvogel (Procellaria westlandica), witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis) — zijn alle veel groter en hebben een bleke, hoornkleurige snavel in plaats van een zwarte. Op afstand scheidt het silhouet hem het best: geen andere donkere stormvogel hier heeft zo'n grote kop op zo'n kort lijf.

Leefgebied

Koud, diep water van de Zuidelijke Oceaan tussen de subtropische convergentie en de rand van het pakijs, waar hij vooral 's nachts kleine inktvis en kreeftachtigen van het oppervlak pakt. Broeden doet hij in holen op met veen en varens begroeide hellingen van subantarctische eilanden, geen van alle binnen dit kaartvenster.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedt niet in dit gebied: de kolonies liggen op Gough en Inaccessible in de Atlantische Oceaan en op Marion, Prince Edward, Crozet en Kerguelen in de Indische Oceaan. In Nieuw-Zeelandse en Australische wateren is hij een dwaalgast die maar zelden vanaf een boot wordt gezien, maar hij komt jaarlijks aan land als strandvondst op de westkuststranden van Nieuw-Zeeland, vooral in de winter en het vroege voorjaar. De aantallen schommelen enorm: in 1979 werd één vogel gevonden, in 1984 zeshonderd. Zulke massale strandingen volgen op langdurige stormen in de Zuidelijke Oceaan, waarbij uitgehongerde vogels het niet redden. In Australië zijn de weinige gevallen vrijwel alle uit de koude zee bij Tasmanië en Victoria.

Waar en wanneer kijken

Loop na een langdurige zuidwesterstorm in juli of augustus een westkuststrand van het Nieuw-Zeelandse Noorder- of Zuidereiland af — Ninety Mile Beach, de stranden bij Muriwai of de westkust van Wellington — en let op een middelgrote, egaal grijze buisneus met een opvallend dikke, korte snavel. Op zee is het zoeken naar de vlucht: een donkere vogel die in hoge steile bogen opklimt en de boot volstrekt negeert, is bijna altijd deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): de wereldpopulatie wordt op honderd- tot tweehonderdduizend paren geschat en de kolonies liggen op afgelegen eilanden. Waar katten en ratten zijn ingevoerd, hebben die op sommige kolonies zware schade aangericht — op Kerguelen en Crozet zijn hele hellingen leeggeroofd. De soort komt nauwelijks achter vissersschepen en heeft daardoor weinig last van bijvangst; de massale strandingen lijken een natuurlijk verschijnsel dat samenhangt met stormen en voedselgebrek, al is niet bekend hoe zwaar die op de populatie wegen.

Wetenschappelijke naam

Aphrodroma brevirostris | (Lesson, 1831)

Lesson beschreef de soort in 1831 als Procellaria brevirostris; omdat het geslacht sindsdien veranderde, staan auteur en jaartal tussen haakjes, en het oorspronkelijke werk vermeldt geen typelocatie. brevirostris betekent 'kortsnavelig', uit Latijn brevis 'kort' en rostrum 'snavel' — precies het kenmerk waarop je hem in de hand herkent. De soort is van geslacht naar geslacht verhuisd: van Procellaria naar Pterodroma, daarna naar het eigen geslacht Lugensa, en ten slotte naar Aphrodroma, dat Storrs Olson in 2000 invoerde uit Grieks aphros 'zeeschuim' en -dromos 'renner': schuimloper.