Alle soortenStormvogelachtigenNoordelijke stormvogeltjes › Chinees stormvogeltje

Chinees stormvogeltje | Hydrobates monorhis

Swinhoe's Storm Petrel | Paíño de Swinhoe

Het chinees stormvogeltje is een klein, egaal roetbruin stormvogeltje met een gevorkte staart, dat broedt op eilandjes voor de kusten van China, Korea, Japan en het Russische Verre Oosten en de rest van het jaar in de noordelijke Indische Oceaan doorbrengt. In de wateren van deze gids is hij een zeldzame dwaalgast, en hij valt vooral op door wat hij niet heeft: geen spoor van wit op de stuit, geen wit op de buik, alleen een lichtere diagonale band over de bovenvleugel.

Chinees stormvogeltje (Hydrobates monorhis)
Foto: Ian Dugdale — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij, en omdat elk Australisch geval van volle zee komt, helpt geluid de gebruiker van deze gids hier niet. In de broedkolonies in Oost-Azië, waar hij uitsluitend in het donker aan land komt, ratelt uit de nestholen een purrend, laag arrr-r-r-r-r dat halverwege even hapert, en boven de kolonie klinkt in de vlucht een kort, schril tsji-tsjik. Buiten de kolonie is de soort vrijwel stom.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Achttien tot eenentwintig centimeter, met een spanwijdte van ruim vijfenveertig centimeter: lange, smalle, in de pols geknikte vleugels en een duidelijk gevorkte staart. Het kleed is egaal zwartbruin; de enige tekening is een lichtere grijsbruine diagonale band over de dekveren van de bovenvleugel, die van de pols schuin naar de vleugelbasis loopt. De stuit is donker, en dat is het kenmerk waarmee de meeste andere stormvogeltjes in dit gebied in één oogopslag afvallen. Van dichtbij zijn de bleke schachten aan de basis van de buitenste handpennen zichtbaar als een vage lichte streep. De poten steken niet voorbij de staart uit. De vlucht is krachtig en grillig, met diepe slagen en scherende, kantelende glijstukken — niet het huppelende pateren van de stormvogeltjes uit de familie Oceanitidae.

Verwarrings­soorten

Het japans stormvogeltje (Hydrobates matsudairae) is het echte probleem: even donker, even gevorkt van staart, maar met vierentwintig tot vijfentwintig centimeter een kwart groter, met een tragere, zwaardere vleugelslag en met opvallend witte schachten die aan de basis van de handpennen een lichte vlek vormen — bij het chinees stormvogeltje blijft dat hooguit een dunne streep. Het wilson stormvogeltje (Oceanites oceanicus) en het madeirastormvogeltje (Hydrobates castro) hebben allebei een witte stuit en een veel minder diep gevorkte staart. Bulwers stormvogel (Bulweria bulwerii) is groter, heeft een lange wigvormige in plaats van gevorkte staart en scheert laag over het water met gebogen vleugels. Wees eerlijk over de grenzen: een donker stormvogeltje op afstand is in Australische wateren vaak niet op naam te brengen, en vrijwel elk aanvaard geval rust op foto's.

Leefgebied

Open oceaan boven diep water, ver buiten het continentaal plat, waar hij kleine kreeftachtigen, inktvisjes en olieïge visresten van het oppervlak pikt en graag boven opwellingen en langs temperatuurfronten foerageert. Land raakt hij alleen aan in de broedkolonie, op rotsachtige eilandjes in de noordwestelijke Stille Oceaan, waar hij nestelt in een holletje onder rotsblokken of in graszoden. Binnen deze gids is hij uitsluitend een vogel van de volle zee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster van deze gids alleen dwaalgast. De meting voor deze gids (GBIF, de tien volle jaren 2015–2024) levert achtendertig gevallen op, alle in Australische wateren en verspreid over vijf van die tien jaren; uit Nieuw-Zeeland en van Norfolk is geen enkel geval bekend. Dat spoort met het overwinteringsgebied van de soort, dat in de noordelijke Indische Oceaan ligt: de gevallen zijn vooral te verwachten in de westelijke helft van het venster, bij de tochten die vanuit West-Australië het diepe water opzoeken. De broedkolonies liggen duizenden kilometers noordelijker.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet vanaf de kust. De kans ligt op een pelagische boottocht die ver genoeg uitvaart om boven diep water te komen, en dan nog is het een kwestie van elk donker stormvogeltje achter de chum nakijken. Let eerst op de stuit (donker, niet wit), dan op de staart (duidelijk gevorkt) en pas daarna op de grootte, die op zee berucht onbetrouwbaar is. Fotografeer wat je ziet; deze determinatie wordt bijna altijd achteraf op beeld afgemaakt.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT), sinds 2012 opgewaardeerd vanaf niet bedreigd. De grootste bekende kolonie telt ongeveer zevenduizend vijfhonderd paren op Verchovski bij Vladivostok; daarnaast zitten er minstens duizend paren in Japan en kleinere aantallen in China, Taiwan en op het Koreaanse schiereiland. De IUCN verwacht over drie generaties een matig snelle afname, vooral door ingevoerde zoogdieren op de broedeilandjes — ratten die eieren en jongen eten, en verwilderde katten. Daarnaast wegen bijvangst in de visserij, lichtvervuiling bij de kolonies en plastic in het voedsel mee. Voor de Australische wateren levert dat geen meetbare trend op: daarvoor is hij hier veel te schaars. Maar een dwaalgast wordt vanzelf zeldzamer naarmate de bronpopulatie krimpt.

Wetenschappelijke naam

Hydrobates monorhis | (Swinhoe, 1867)

Robert Swinhoe, Brits consul aan de Chinese kust en de belangrijkste verzamelaar van Chinese vogels van zijn tijd, beschreef de soort in 1867; omdat ze sindsdien in het geslacht Hydrobates is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton monorhis komt van het Griekse monos, 'enkel', en rhis, 'neus', en wijst op de neusbuis boven op de snavel, die bij deze familie als één koker naar voren steekt in plaats van als twee gescheiden buisjes. De typelocatie ligt in de Chinese kustwateren waar Swinhoe werkte. De Engelse en de Spaanse gidsnaam bewaren zijn naam; de Nederlandse wijst naar het broedgebied.