Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Kleine bonte aalscholver
Kleine bonte aalscholver | Microcarbo melanoleucos
Little Pied Cormorant | Cormorán piquicorto
De kleine bonte aalscholver is de kleinste en de talrijkste aalscholver van Australië en Nieuw-Zeeland, en de enige met een kort, dik geel snaveltje. Hij vist alleen op ondiep water, tot in een sloot of een veedam toe, en zit daarna met opgerichte staart in de zon.
Geluid
Buiten de kolonie is hij stil; op een broedplaats klinkt het mannetje in twee of drie lettergrepen koerend, een dof oe-hoe-hoe dat bij de balts hoort. Bij het terugkomen op het nest geven de partners elkaar een begroeting van korte stoten die wegsterven: uh, uh, uh, uh. Verder blaast en gromt hij bij verstoring, meer sissend dan luid. Een vissende vogel op open water hoor je nooit.
Opname: nick talbot — CC BY-NC-SA 4.0 · Tweed Heads South, New South Wales, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een kleine aalscholver van ongeveer zestig centimeter, zwart op de bovendelen en wit op de onderdelen, met een witte wang en keel en wit dat tot boven het oog doorloopt. De snavel is kort, dik en geel met een donkere rug, de oogring is bruin, de huid om de snavelbasis geel en de poten en voeten zwart. De staart is naar verhouding lang, langer dan bij de andere aalscholvers van het gebied, en de vleugels zijn korter en breder. In Nieuw-Zeeland komen naast de gewone bonte vogels ook geheel zwarte vogels met een witte keel voor en, bij ongeveer één op de twintig, een tussenvorm met zwart en wit gevlekte borst en buik. Jonge vogels missen het wit boven het oog en zijn soms roestbruin aangeslagen door ijzer in het water.
Verwarringssoorten
De bonte aalscholver (Phalacrocorax varius) is beduidend groter, heeft een veel langere snavel, een oranjegele vlek voor het oog en zwarte dijen. De kleine zwarte aalscholver (Phalacrocorax sulcirostris) is even groot maar geheel zwart en heeft een slanke grijze snavel. De grote aalscholver (Phalacrocorax carbo) is fors, met een gele keelvlek en een zware haaksnavel. Bij de zwarte Nieuw-Zeelandse vorm is de korte gele snavel het enige wat overblijft; let daarop en niet op de kleur van het lijf.
Leefgebied
Zowel zoet als zout, en vooral het ondiepe: meren, poelen, veedammen, kreken, langzame rivieren, sloten en greppels, en aan de kust estuaria, havens, kustlagunes en mangrove. Hij heeft geen groot open water nodig en vist waar een grotere aalscholver niet uit de voeten kan. Wel wil hij een paal, een steiger of een tak om op te drogen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over heel Australië en heel Nieuw-Zeeland, en verder in Nieuw-Guinea en Indonesië. Op de Chathams, de Snares, Auckland- en Campbell-eiland is hij niet meer dan dwaalgast. Hij trekt niet, maar jonge vogels zwerven ver, en in het Australische binnenland volgt hij het vollopen en droogvallen van de wateren. In Nieuw-Zeeland is hij van de kust ver landinwaarts doorgedrongen, tot op boerensloten en stadsvijvers.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk bij elke bonte aalscholver eerst naar de snavel en pas daarna naar het verenkleed: kort, dik en geel maakt de soort meteen zeker, ook bij de zwarte vorm. Op een paal in een haven zit hij vaak met de lange staart schuin omhoog, een houding die de grotere soorten niet aannemen. Zoek hem op smal water — een greppel of een veedam — waar de andere aalscholvers niet komen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), in alle Australische staten en in Nieuw-Zeeland algemeen en veilig. De aanleg van veedammen, stuwmeren en visvijvers heeft hem in het binnenland vooruitgeholpen. Plaatselijk verdrinken vogels in kieuwnetten en fuiken, en bij kolonies telt verstoring en het omzagen van oude oeverbomen.
Wetenschappelijke naam
Microcarbo melanoleucos | (Vieillot, 1817)
Vieillot beschreef de vogel in 1817 als Hydrocorax melanoleucos; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Microcarbo werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, uit het Griekse mikros, 'klein', en het Latijnse carbo, 'houtskool', de oude naam voor de aalscholvers. melanoleucos betekent 'zwart-wit', uit het Griekse melas en leukos. Als typelocatie staat 'Australasie' opgegeven; Mathews beperkte haar in 1912 tot Nieuw-Zuid-Wales.





