Alle soortenPapegaaiachtigenKaketoes › Langsnavelraafkaketoe

Langsnavelraafkaketoe | Zanda baudinii

Baudin's Black Cockatoo | Cacatúa fúnebre piquilarga

De langsnavelraafkaketoe is de zeldzaamste van de vijf Australische raafkaketoes en leeft alleen in de hoge, vochtige bossen tussen Perth en Albany. Uiterlijk is hij bijna een tweelingbroer van de dunsnavelraafkaketoe; wat hem verraadt is de snavel: lang, smal en driehoekig, een pincet waarmee hij de zaden uit de harde vruchten van de marri peutert zonder de vrucht te vernielen.

Langsnavelraafkaketoe (Zanda baudinii)
Foto: Photo by: Paulweberphoto - paulweberphoto.com — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, fluitend weeoo wee-oo, in de vlucht herhaald en op afstand nauwelijks van de dunsnavelraafkaketoe te onderscheiden. Metingen geven wel een verschil: de roep is korter, ongeveer 0,47 seconde tegen 0,64 bij de andere soort, klinkt afgeknipt en schriller in de eerste lettergreep, en de twee lettergrepen vloeien meer in elkaar over (wheeor in plaats van whee-oor). Daarnaast heeft hij een klokkende roep die de dunsnavelraafkaketoe niet maakt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote donkere kaketoe van ruim een halve meter, bruinzwart met smalle roomwitte veerzomen die het kleed geschubd maken, met een roomwitte vlek op de oorstreek en twee witte vlakken in de staart die pas in de vlucht opvallen. De man heeft een zwarte snavel en een roze oogring, het vrouwtje een beenkleurige snavel en een grijszwarte oogring; vrouwtjes tonen doorgaans meer bleke veerzomen op borst en buik. Het beslissende kenmerk is het snavelprofiel: lang, smal en driehoekig, met een bovensnavel die ver onder de ondersnavel uitsteekt. Sommige waarnemers vinden de vogel in fel licht bovendien iets bruiner en kleiner ogen dan zijn tegenhanger.

Verwarrings­soorten

De dunsnavelraafkaketoe (Zanda latirostris) is het hele verhaal: dezelfde grootte, hetzelfde kleed, dezelfde witte oorvlek en witte staartvlakken, en in het zuidwesten overlappen beide areaal. Alleen het snavelprofiel is echt betrouwbaar — bij latirostris kort, breed en bol, hier lang, smal en spits. Helpt dat niet, dan geven gedrag en plaats de doorslag: deze soort houdt zich aan het zware marri-, karri- en jarrahbos en komt nauwelijks in de wheatbelt, eet geen dennenzaad in aanplantingen, en laat in een marrivrucht een net gaatje achter waar latirostris de rand van de vrucht grof afbreekt. De boskaketoe, de zuidwestelijke ondersoort van de roodstaartraafkaketoe (Calyptorhynchus banksii), deelt hetzelfde bos maar heeft rode staartvlakken, geen lichte oorvlek en een harde metalen stem. De geeloograafkaketoe (Zanda funerea) heeft gele staartvlakken en komt in West-Australië niet voor.

Leefgebied

Vochtig, hoogopgaand bos van marri, karri en jarrah is zijn wereld; de zaden van de marri vormen de kern van het menu, aangevuld met jarrahzaad en boorlarven. Broeden doet hij in zeer grote holtes hoog in oude karri- en marribomen, die daarvoor een paar eeuwen oud moeten zijn. Buiten de broedtijd komt hij in aangrenzend open bos en in appel- en perenboomgaarden rond Donnybrook en Manjimup, en in de winter ook in tuinen en parken in plaatsen aan de rand van het bos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endeem van de uiterste zuidwesthoek van West-Australië en daarbuiten nergens ter wereld: het bosgebied tussen ruwweg Perth in het noorden en Albany in het zuiden, met de kern in de hoge marri- en karribossen van het zuidwesten. Naar het oosten reikt hij nauwelijks tot in de drogere wheatbelt, die het domein van de dunsnavelraafkaketoe is. Het hele areaal past binnen een paar honderd kilometer, en dat is meteen de kwetsbaarheid van de soort.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek onder een marri naar de gevallen vruchten: een vrucht met één net, klein gaatje waaruit de zaden zijn gehaald, is het werk van deze soort, terwijl een afgebroken, rafelige rand op de dunsnavelraafkaketoe wijst — dat spoor is vaak betrouwbaarder dan een blik op een vogel hoog in de kroon. Zie je de vogels zelf, wacht dan tot er een dwars op je zit en beoordeel de snavel in zijprofiel; probeer daarnaast een roep op te nemen, want het korte, afgeknipte karakter is achteraf goed te meten.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd (CR), sinds de herbeoordeling van 2021 in de hoogste categorie vóór uitsterven in het wild, met een schatting van nog tien- tot vijftienduizend vogels. Het knelpunt is de nestholte: alleen karri's en marri's van twee eeuwen en ouder leveren een holte die groot genoeg is, en die bomen zijn over grote oppervlakten gekapt of staan in versnipperde restanten. Daar komt bij dat de soort traag broedt, dat vossen en katten jongen en broedende vrouwtjes pakken, dat verwilderde honingbijen de weinige holtes bezetten en dat het klimaat van het zuidwesten al decennia droger wordt, wat de marrivruchtzetting raakt. Historisch weegt bovendien de vervolging in de boomgaarden mee: tot in de jaren negentig werden onder schadevergunningen grote aantallen vogels geschoten, en illegaal schieten komt nog steeds voor.

Wetenschappelijke naam

Zanda baudinii | (Lear, 1832)

Edward Lear beeldde de vogel in 1832 af en benoemde hem in zijn Illustrations of the family of Psittacidae als Calyptorhynchus Baudinii, genoemd naar de Franse ontdekkingsreiziger Nicolas Baudin, die van 1800 tot 1804 met de Géographe en de Naturaliste de Australische kusten in kaart bracht. Een typelocatie gaf Lear niet; Mathews wees later Albany in Zuidwest-Australië aan. Auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat de soort nu in Zanda staat, het geslacht dat Mathews in 1913 invoerde en dat na recent erfelijkheidsonderzoek weer in gebruik is genomen; Mathews verklaarde de naam Zanda zelf niet. De Nederlandse gidsnaam en de Spaanse naam piquilarga wijzen allebei op de lange, smalle snavel.