Alle soortenPapegaaiachtigenHalsbandparkieten › Muskusparkiet

Muskusparkiet | Trichoglossus concinnus

Musk Lorikeet | Lori almizclero

De muskusparkiet is de middelgrote lori van Zuidoost-Australië: groen, met een rode band die dwars door het oog naar de oorstreek loopt en een blauwe kruin daarboven. Hij is in dertig jaar tijd een gewone stadsvogel van Melbourne en Sydney geworden en dankt zijn naam aan de muskusachtige geur die hij verspreidt.

Muskusparkiet (Trichoglossus concinnus)
Foto: Christopher Watson ( http://www.comebirdwatching.blogspot.com/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schelle, metalige schreeuw, duidelijk hoger en scherper dan die van de regenbooglori maar lager dan het dunne getinkel van de dwerglori, zowel in de vlucht als vanaf een tak. In de vlucht klinkt een hard, rollend kriet-kriet; foeragerende troepen houden een onafgebroken, hoog gekeuvel en geknars aan dat een bloeiende boom van verre hoorbaar maakt. Bij ruzie om een bloemtros gaat dat over in scherp gekrijs.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Twintig tot drieëntwintig centimeter en rond de zeventig gram — duidelijk forser dan dwerglori en purperkaplori, duidelijk kleiner dan de regenbooglori. Overwegend grasgroen, met een helderrood voorhoofd dat zich voortzet in een rode band dwars door het oog tot op de oordekveren, en daarboven een blauwe kruin die bij het mannetje verder doorloopt dan bij het vrouwtje. Aan weerszijden van de borst ligt een gele vlek, over de mantel en nek een bronsgele waas, en in de vlucht vallen de bruine slagpennen en een goudgele staartbasis op. De snavel is zwart met een duidelijk rode punt aan boven- en ondersnavel, de iris oranjegeel.

Verwarrings­soorten

De dwerglori (Parvipsitta pusilla) is een kwart kleiner, heeft een geheel zwarte snavel en rood dat ook de keel bedekt, en mist zowel de blauwe kruin als de gele borstvlek. De purperkaplori (Parvipsitta porphyrocephala) heeft een purperen kruin, een oranjegele oorvlek en lichtblauwe onderdelen in plaats van groene. De regenbooglori (Trichoglossus moluccanus) is bijna een derde langer en heeft een geheel blauwpaarse kop met een oranjerode borst. De schubbenlori (Trichoglossus chlorolepidotus) heeft een geheel groene kop zonder enig rood en een volledig rode snavel. De combinatie rode oogstreep, blauwe kruin en rood snavelpuntje is voor de muskusparkiet alleen.

Leefgebied

Hoog, open en tamelijk droog eucalyptusbos en woodland, waar hij vrijwel uitsluitend in de kroon verblijft; box-ironbarkbos en yellow box zijn favoriet, evenals oude rode rivierbomen langs kreken. Daarnaast is hij een echte stadsvogel geworden van buitenwijken met veel oude straatbomen, parken en tuinen met bloeiende eucalypten. Slaapbomen liggen vaak kilometers van de voedselbomen, zodat er elke ochtend en avond vaste vliegroutes zijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in Zuidoost-Australië: oostelijk Nieuw-Zuid-Wales, heel Victoria, het zuidoosten van Zuid-Australië tot op Kangaroo Island, en het oosten en noorden van Tasmanië. Het zwaartepunt ligt aan de landzijde van de Great Dividing Range. In Melbourne en Sydney heeft hij zich sinds de jaren negentig gevestigd door de aanplant van nectargevende eucalypten, waar hij nu met de regenbooglori om dezelfde bloemen concurreert. Binnen dat areaal zwerft hij achter de bloei aan.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in de late winter en het voorjaar langs straten met bloeiende yellow gums en luister naar het schelle geschreeuw boven je hoofd; een troep muskusparkieten in een bloeiende boom is van een blok afstand hoorbaar. Kijk dan door de kijker naar het profiel van de kop: de rode oogstreep loopt horizontaal door en is ook in tegenlicht als donkere band zichtbaar. Ruik je bij een tamme vogel in een park een zoetige, muskusachtige lucht, dan klopt de naam.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en één van de weinige nectareters van Zuidoost-Australië die het de laatste decennia juist beter is gaan doen: de stedelijke aanplant van bloeiende eucalypten heeft hem een nieuw, jaarrond voedselaanbod gegeven en de soort in Melbourne en Sydney gevestigd. Op het platteland speelt wel het verdwijnen van oude holtenrijke bomen, want hij broedt in holten van levende eucalypten die eeuwen oud zijn. Lokale verliezen ontstaan door aanvaringen en door vergiftiging bij het eten van bespoten fruit in boomgaarden.

Wetenschappelijke naam

Trichoglossus concinnus | (Shaw, 1791)

George Shaw beschreef de soort in 1791 als Psittacus concinnus, in deel drie van zijn The Naturalist’s Miscellany; de typelocatie is ‘Nieuw-Holland’, wat in de praktijk Nieuw-Zuid-Wales betekent. Auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat de vogel later van geslacht wisselde. Het Latijnse concinnus betekent ‘sierlijk, keurig’. Lang stond de soort in Glossopsitta, maar AviList v2025b plaatst haar in Trichoglossus, het geslacht dat Stephens in 1826 invoerde uit het Griekse thrix, trikhos, ‘haar’, en glōssa, ‘tong’, naar de borstelige tongpunt waarmee lori’s nectar oplepelen. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen naar de muskusgeur van de vogel.