Alle soortenPapegaaiachtigenHalsbandparkieten › Regenbooglori

Regenbooglori | Trichoglossus moluccanus

Rainbow Lorikeet | Lori de cocotero

De regenbooglori is de luidruchtigste en bontste vogel van de Australische oostkust: een gedrongen papegaai met een blauwpaarse kop, een groene mantel, een oranjerode borst met gele bandering en een felrode snavel. Hij leeft van nectar en stuifmeel, die hij met een borstelige tongpunt uit de bloemen haalt, en hij trekt met de bloei van de eucalypten mee.

Regenbooglori (Trichoglossus moluccanus)
Foto: Andrew Mercer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Aanhoudend, scherp gekrijs en gekwetter is het handelsmerk: een groep die overvliegt maakt een schel, rollend geraas dat over de hele straat gaat, en op een slaapplaats krijsen honderden vogels tot lang na zonsondergang door. Bij het foerageren klinken zachtere, keelachtige contactgeluiden en een nat gesmak. Bij ruzie om een bloeiende tak volgt een kort, hoog gegil. Stil is hij eigenlijk alleen wanneer hij eet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een gedrongen papegaai van rond de dertig centimeter met een spitse, korte staart en een felrode, tamelijk slanke snavel. De kop is diep blauwpaars, met een groengele band over de nek; mantel, vleugels en staart zijn groen. De borst is oranjerood met smalle blauwzwarte bandering, de buik diep blauwpaars en de flanken en broek geel met groen. In de vlucht licht een breed geel veld midden op de ondervleugel op, wat het beste kenmerk is bij een overtrekkende groep. Man en vrouw zijn niet te onderscheiden. Jonge vogels zijn doffer, met een bruinzwarte snavel die pas na maanden rood wordt.

Verwarrings­soorten

Trichoglossus rubritorquis van het Top End heeft in plaats van de groengele nekband een brede oranjerode kraag en een zwarte buik, en de twee raken elkaar rond de Golf van Carpentaria. Trichoglossus chlorolepidotus van de oostkust is geheel groen met gele schubben op de borst en zonder blauwe kop. De kleinere loris van het zuiden, Trichoglossus concinnus en Parvipsitta pusilla, zijn groen met een rood gezichtsdeel en veel kleiner. In het gebied van deze gids is een lori met een blauwpaarse kop en een geel ondervleugelveld altijd de regenbooglori.

Leefgebied

Alles wat bloeit en bomen heeft: regenwoud en de randen daarvan, nat en droog eucalyptusbos, savanne met eucalyptus in het noorden, mangrove, en vooral tuinen, parken, straatbomen en boomgaarden in de steden van de oostkust. Hij volgt de bloei van eucalypten, banksia's, melaleuca's en aangeplante bloeiers, en zwerft daarvoor over tientallen tot honderden kilometers. Broeden doet hij in een holte hoog in een eucalypt, meestal bij water, met de eieren op vermolmd hout.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

De kust en het achterland van noordelijk en oostelijk Australië, van de Kimberley en het Top End rond Kaap York langs de hele oostkust tot in Zuid-Australië. In Perth en op Tasmanië gaat het om uitgezette vogels; die worden daar als exoot behandeld en in West-Australië bestreden. In Nieuw-Zeeland is een kleine bevestigde bevolking in Auckland weer opgeruimd. Hij trekt niet in vaste richtingen maar zwerft achter de bloei aan, zodat een streek de ene zomer vol loris zit en de volgende leeg is.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek een bloeiende eucalypt of een bloeiende banksia in een stadspark aan de oostkust en ga eronder staan: de vogels hangen ondersteboven aan de bloemtrossen, laten schillen vallen en zijn op twee meter afstand te bekijken. Wilt u de aantallen zien, kom dan een half uur voor zonsondergang bij een slaapplaats in straatbomen — in Brisbane of Sydney komen er duizenden binnen. Voer hem geen brood of honingwater; dat maakt loris ziek en bindt ze aan één plek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in de steden van de oostkust sterk toegenomen, want aangeplante bloeiers geven het hele jaar door nectar waar het natuurlijke bos alleen in het seizoen levert. Daar staat tegenover dat hij plaatselijk als plaag geldt in fruitteelt en wijnbouw, en dat de uitgezette bevolking bij Perth als bedreiging voor inheemse holtebroeders wordt bestreden. In het bos zelf is het aanbod van oude holtebomen de beperking, en op voedertafels verspreidt zich snavel- en verenziekte.

Wetenschappelijke naam

Trichoglossus moluccanus | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de vogel in 1788 als Psittacus moloccanus, in de veronderstelling dat het beschreven exemplaar van de Molukken kwam; in werkelijkheid kwam het uit Australië, en Mathews stelde de typelocatie in 1916 op Botany Bay vast. Omdat de soort later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Trichoglossus werd in 1826 ingevoerd door Stephens, uit het Griekse thrix, trikhos, 'haar', en glōssa, 'tong', naar de borstelige tongpunt waarmee deze vogels nectar oplepelen. Tot 2019 werd de Australische vogel onder Trichoglossus haematodus gevoerd; AviList v2025b houdt hem als eigen soort, met haematodus voor de vogel van Nieuw-Guinea en Melanesië.