Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Oranjebuikparkiet
Oranjebuikparkiet | Neophema chrysogaster
Orange-bellied Parrot | Loro ventrinaranja
De oranjebuikparkiet is een van de meest bedreigde papegaaien ter wereld: een kleine, grasgroene parkiet die uitsluitend in het zuidwesten van Tasmanië broedt en elke winter de Straat Bass oversteekt naar de zoutkwelders van het vasteland. In 2016 stonden er nog zeventien vogels in het wild, waaronder drie vrouwtjes; dat de soort er nu nog is, is het resultaat van een van de intensiefste reddingsoperaties in de Australische natuurbescherming.
Geluid
Een merkwaardig zoemende roep, anders dan het getinkel van de verwante grasparkieten: een enkele gonzende noot die om de een tot drie seconden herhaald wordt als contactroep, klankrijk te schrijven als tzeet. De alarmroep is dezelfde noot maar sneller en scherper herhaald; wachtposten in een foeragerend groepje mengen alarmnoten met gekwetter tot een gorgelend gezoem. Tijdens het eten klinkt een zacht, laag gebabbel. In de kwelder op het vasteland is dat gezoem vaak het enige wat de vogels verraadt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen parkiet van ongeveer twintig centimeter met een betrekkelijk korte staart. Het mannetje is helder grasgroen op kop, nek en bovendelen, geelgroen op borst en buik, met een tweetonige blauwe voorhoofdsband — donkerblauw in het midden, met een lichtblauwe zoom erboven en eronder — die tot aan het oog reikt. Midden op de buik zit een scherp begrensde oranje vlek van zo'n twee centimeter doorsnede; de onderstaartdekveren zijn helder geel. De vleugeldekveren en handpennen zijn donkerblauw, zodat de vleugel een blauwe voorrand toont. Het vrouwtje is doffer groen, met een blekere voorhoofdsband en een oranje vlek die ongeveer een derde kleiner en vager is. Jonge vogels zijn dof geelolijf en missen de voorhoofdsband vrijwel geheel; hun snavel is aanvankelijk geeloranje en wordt binnen drie maanden bruin.
Verwarringssoorten
Dit is de klassieke valkuil van de kustkwelder, want de blauwvleugelparkiet (Neophema chrysostoma) overwintert in precies dezelfde biotoop en wordt geregeld voor deze soort aangezien. Let op de grondkleur: die is hier helder grasgroen, daar dof olijfgroen. Let op de vleugel: bij de blauwvleugelparkiet is vrijwel de hele opgevouwen vleugel een breed donkerblauw paneel, hier blijft het blauw tot een smallere voorrand beperkt. Let op de buik: de oranje vlek is hier groot, rond en scherp afgetekend, bij de blauwvleugelparkiet hooguit een vage oranje waas. En let op de roep: gezoem tegenover ijl getinkel. De prachtparkiet (Neophema elegans) is goudgeelgroen met een bredere, dubbel omzoomde voorhoofdsband en heeft meestal geen scherpe oranje vlek; de rotsparkiet (Neophema petrophila) is dof olijfbruin met veel meer blauw over teugels en wangen en zonder oranje buik.
Leefgebied
Twee heel verschillende werelden, per seizoen. Om te broeden kiest hij de buttongrass-moerasvlakten (polvormend zeggegras van natte Tasmaanse vlakten) van zuidwestelijk Tasmanië, met verspreide eucalyptussen — Smithton peppermint en swamp gum — aan de rand, waarin de broedholten zitten; die holten hebben een opening van zes tot tien centimeter en zijn tot zestig centimeter diep, en sinds 1991 worden ze aangevuld met nestkasten. Buiten de broedtijd leeft hij in kustkwelder en samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib) langs estuaria, lagunes en zoutmoerassen, vrijwel altijd binnen drie kilometer van zee, waar hij zaden van zoutplanten als zeekraal en schorrenkruid eet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster van deze gids is het broedgebied tot één plek teruggebracht: Melaleuca in het uiterste zuidwesten van Tasmanië, binnen dertig kilometer van de kust. De vogels arriveren daar begin oktober en vertrekken vanaf maart. De trek gaat over de Straat Bass, met King Island — onder meer Lake Flannigan — als tussenstop, naar de kust van Victoria en zuidoostelijk Zuid-Australië. Vaste overwinteringsplaatsen zijn de Werribee-rioolvelden en de rest van het Western Treatment Plant, Swan Bay en Swan Island, Lake Connewarre op het Bellarine-schiereiland, Point Wilson en Murtcaim, The Spit en de wetlands bij Yambuk ten westen van Warrnambool. In Nieuw-Zeeland en op Norfolkeiland komt hij niet voor.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Tasmanië is er eigenlijk maar één adres: het voederplateau en de kijkhut bij Melaleuca, alleen per boot of per klein vliegtuig te bereiken, tussen oktober en februari. Op het vasteland moet je het hebben van zoutkwelder in de winter: loop langzaam langs de rand van een samphirevlakte en luister naar het zoemen, want de vogels zitten laag tussen de planten en zijn pas zichtbaar als ze opvliegen. Kijk elke vermeende oranjebuikparkiet twee keer na — de kans dat het een blauwvleugelparkiet is, is vele malen groter — en meld elke zekere waarneming aan het regionale telprogramma.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd (CR) en herhaaldelijk aangewezen als de Australische vogel met de hoogste kans om uit te sterven; een studie uit 2018 zette hem op de tweede plaats van die lijst. Het dieptepunt lag in februari 2017, toen er in het wild veertien vogels werden geteld en in dat broedseizoen zestien individuen werden bevestigd — dertien mannetjes en drie vrouwtjes. Sindsdien is er een moeizaam maar echt herstel: 118 vogels in april 2020, ongeveer zeventig in december 2021, 91 terugkeerders in het seizoen 2024–25 en 86 in december 2025, waarvan 66 in het wild bij Melaleuca geboren en twintig als jong uitgezet uit de kweek. In het broedseizoen 2024–25 leverden 27 van 34 gevolgde nesten minstens 99 uitgevlogen jongen op, waarna het Herstelteam op ongeveer 172 trekkende vogels uitkwam. In het seizoen daarop, 2025–26, brachten 23 actieve nesten minstens 46 gemerkte jongen voort, werden er 51 in gevangenschap gekweekte jongen — 25 mannetjes en 26 vrouwtjes — bij Melaleuca losgelaten en vertrokken er in juni 2026 meer dan 165 vogels op trek, waarvan er 49 een zender kregen. De kweekpopulatie doet dienst als verzekering tegen uitsterven en telt ongeveer driehonderd vogels, verdeeld over vijf instellingen: de faciliteit bij Five Mile Beach en Taroona in Tasmanië, Healesville Sanctuary, Adelaide Zoo, Moonlit Sanctuary en het Priam Parrot Breeding Centre; in het seizoen 2024–25 stonden daar veertig broedparen, het hoogste aantal sinds 2020–21, en werden vijftig jongen grootgebracht. In 2010 en 2011 zijn 21 wilde vogels gevangen om de genetische basis van die kweek te verbreden. De bedreigingen zijn stapelbaar: verlies en achteruitgang van de kustkwelder door begrazing door vee en konijnen, veranderde waterhuishouding, verzilting, onkruid en woningbouw; windparken en infrastructuur in de trekcorridor; predatie door verwilderde katten en vossen en concurrentie om nestholten; en boven alles de gevolgen van een kleine populatie zelf — genetische verarming, inteelt en het risico dat één slecht jaar alles wegvaagt. Bij tellingen op het vasteland wordt naar schatting maar een vijfde van de aanwezige vogels opgemerkt.
Wetenschappelijke naam
Neophema chrysogaster | (Latham, 1790)
Latham beschreef de soort in 1790 als Psittacus chrysogaster; auteur en jaartal staan daarom tussen haakjes. Het epitheton komt van het Oudgriekse khrysos 'goud' en gaster 'buik' en slaat op de gele onderdelen. De typelocatie is Adventure Bay op Bruny Island in Tasmanië; het type werd verzameld tijdens een van de reizen van Cook — in maart 1773 of in januari 1777 — en kwam in de verzameling van Joseph Banks terecht, waar het later verloren is gegaan. Gould gaf de soort in 1841 opnieuw een naam als Euphema aurantia en Ewing in datzelfde jaar als Nanodes gouldii; beide zijn synoniemen. Het geslacht Neophema werd in 1891 ingevoerd door Salvadori. Ondersoorten worden niet onderscheiden.




