Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Regenwulp
Regenwulp | Numenius phaeopus
Eurasian Whimbrel | Pilpil
De regenwulp is de middelmaat onder de wulpen van dit gebied: een bruin gestreepte steltloper met een gebogen snavel die korter is dan die van de siberische wulp en veel langer dan die van de kleine regenwulp. Zijn beste kenmerk zit op de kop, want als enige wulp hier draagt hij een strak gestreepte kruin met een lichte middenstreep tussen twee donkere banden. Hij is talrijk langs de hele noordkust van Australië en houdt zich daar vooral op bij de mangrove.
Geluid
De gewone roep is een ver dragend, gelijkmatig ratelend fluitje van zes tot zeven snelle noten op één toonhoogte: bi-bi-bi-bi-bi-bi-bi, meestal in de vlucht en vaak het eerste teken dat er een groepje overkomt. Het is een vrolijk, trillerig geluid, heel anders dan het klagende, oplopende geroep van de siberische wulp. Op de slikplaat klinken tussen foeragerende vogels zachte, korte contactnoten. Wie het ratelfluitje eenmaal kent, determineert de soort in het donker of in de mist.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote wulp van veertig tot vijfenveertig centimeter en ongeveer driehonderdvijftig gram, bruin gestreept met een witte buik. De snavel is acht tot negen centimeter lang en omlaag gebogen, maar de bocht zit vooral in het buitenste deel, zodat hij eerder een knik dan een gelijkmatige boog lijkt; de basis van de ondersnavel is vleeskleurig, de rest donker. De poten zijn lang en blauwgrijs. Het doorslaggevende kenmerk is de kop: een donkere kruin met een duidelijke lichte middenstreep, geflankeerd door twee donkere zijstrepen, plus een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. In de vlucht zijn de vleugels spits en de slag snel; de ondersoort die hier komt, heeft een bruin gebandeerde stuit en geen witte wig over de rug.
Verwarringssoorten
De siberische wulp (Numenius madagascariensis) is veel groter, met een snavel die met vijftien tot twintig centimeter bijna twee keer zo lang is en in een gelijkmatige boog kromt; zijn kop is egaal gestreept zonder kruinstrepen, en zijn stuit is egaal bruin. De wulp (Numenius arquata), hier een dwaalgast, is eveneens groter en mist de kruinstrepen, maar valt vooral op door de witte wig die vanaf de stuit de rug op loopt en de vrijwel witte ondervleugel; de regenwulp heeft geen van beide. De kleine regenwulp (Numenius minutus) is duidelijk kleiner en lichter gebouwd, met een kortere en veel minder gebogen snavel, en houdt zich bij voorkeur op droge graslanden en vliegvelden op in plaats van op het wad. De grutto's en de Aziatische grijze snip hebben alle een rechte snavel en vallen daarmee af.
Leefgebied
Vooral de kust: intergetijdenslik en zandplaten van estuaria en beschutte baaien, en daarbinnen bij voorkeur de stroken die aan mangrove grenzen, want krabben zijn zijn belangrijkste voedsel. Hij gebruikt ook zandstranden, koraalplateaus en rotskusten, en rust bij hoogwater op mangroveboomtoppen, zandbanken en pieren. Binnenlands verschijnt hij nauwelijks. Hij foerageert overdag en 's nachts, prikkend in de modder of pikkend van het oppervlak.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Algemeen langs de hele noordkust van Australië, van de Kimberley door het Top End tot in de Golf van Carpentaria en Kaap York, en verder zuidwaarts langs beide kusten in afnemende aantallen; in het zuiden is hij ongewoon tot zeldzaam. Op Norfolk komt hij jaarlijks voor. In Nieuw-Zeeland gaat het om ongeveer zeventig vogels per jaar, vooral in de noordelijke helft van het Noordereiland en op Farewell Spit, met soms een overzomeraar. Hij verlaat de noord- en noordoostkust eind april en keert van augustus tot oktober terug, waarna hij langs de oostkust naar het zuiden schuift.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op een aflopend tij langs de rand van een mangrovekreek en kijk vóór alles naar de kruin: de lichte middenstreep tussen twee donkere banden is op grote afstand met een telescoop te zien en scheidt hem meteen van elke andere wulp hier. Let bij overvliegende vogels op de stuit, want het ontbreken van een witte wig sluit de wulp uit. En leer het ratelende fluitje: op een wad met duizenden vogels is dat het snelste determinatiemiddel dat je hebt.
Staat van instandhouding
Niet in gevaar (LC) op de wereldlijst, want de soort broedt over een enorm gebied in het noorden van Eurazië en Noord-Amerika en de wereldstand is groot. Dat verhult wel dat het juist in deze trekroute minder goed gaat: de stand van de Oost-Aziatisch-Australaziatische trekweg wordt op ongeveer vijfenvijftigduizend vogels geschat en neemt af, door hetzelfde verlies van tussenstopplaatsen rond de Gele Zee dat de andere steltlopers van deze trekweg treft. In Australië zelf is het belangrijkste punt het behoud van de mangrovezomen en de slikplaten daarachter, waar hij het hele niet-broedseizoen van moet leven.
Wetenschappelijke naam
Numenius phaeopus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de vogel in 1758 als Scolopax phaeopus, met Zweden als typelocatie; door de latere verplaatsing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton phaeopus is gevormd uit het Griekse phaios, 'donker, grauw', en pous, 'voet'. De geslachtsnaam Numenius gaat terug op het Griekse noumenios, 'nieuwe maan', naar de sikkelvorm van de snavel. De Nederlandse naam verwijst naar het oude volksgeloof dat zijn roep regen aankondigde; de vogels die Australië en Nieuw-Zeeland bereiken behoren tot de oostelijke ondersoort variegatus.



