Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Swandiadeemhoningeter
Swandiadeemhoningeter | Melithreptus chloropsis
Gilbert's Honeyeater | Mielero nuquiblanco occidental
De swandiadeemhoningeter is de enige diadeemhoningeter van Zuidwest-Australië en tot 2008 werd hij nog als westelijke ondersoort van de diadeemhoningeter beschouwd. Hij ziet er ook vrijwel net zo uit: zwarte kop, witte nekband als een diadeem, olijfgroene rug en witte onderdelen. Het verschil zit in de kale huid boven het oog, die hier groenwit tot zuiver wit is en niet rood — precies waar de wetenschappelijke naam chloropsis, 'met groen gezicht', naar verwijst. Hij hoort bij het jarrah-, marri- en karribos van de zuidwesthoek en komt nergens anders voor.
Geluid
Heldere, wat nasale fluitroepjes, in korte reeksen herhaald, en een scherp tjip dat de troepjes in de kronen gaande houdt. De zang is een vlugge, opgewekte aaneenschakeling van heldere noten, sterk lijkend op die van de diadeemhoningeter (Melithreptus lunatus) in het oosten — wat niet verwonderlijk is bij twee soorten die tot voor kort één soort heetten. Omdat de twee elkaar nergens ontmoeten, hoeft het geluid in de praktijk nooit als onderscheidend kenmerk te dienen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine tot middelgrote honingeter, iets forser dan zijn oostelijke tegenhanger. De kop is zwart, de bovendelen olijfgroen en de onderdelen zuiver wit, met een licht grijsbruin waas op de flanken. Over de nek loopt een duidelijke, sikkelvormige witte band. Beslissend is de kale huid boven het oog: een witte tot groenwitte vlek, die door de zwarte kop heen opvalt als een lichte wenkbrauw. Snavel en poten zijn bruinzwart, het oog is dofrood. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit; jonge vogels zijn valer, met een bruinig aandoende kop en een lichtere snavelbasis.
Verwarringssoorten
Binnen zijn eigen gebied is de enige serieuze verwarringssoort de bruine diadeemhoningeter (Melithreptus brevirostris), die in het zuidwesten eveneens voorkomt maar een bruine in plaats van zwarte kop heeft, een beige in plaats van witte nekband, en een volledige roomgele tot oranje ring van kale huid om het oog in plaats van een lichte vlek erboven. De diadeemhoningeter (Melithreptus lunatus), waarvan deze soort is afgesplitst, is uitsluitend op afbeeldingen en in de literatuur een probleem: daar is de rode sikkel boven het oog het verschil, in het veld scheelt het bovendien het hele continent. De witkinhoningeter (Melithreptus albogularis), de zwartkinhoningeter (Melithreptus gularis), de tasmaanse honingeter (Melithreptus validirostris) en de zwartkophoningeter (Melithreptus affinis) bereiken de zuidwesthoek geen van alle; de eerste twee blijven ver in het noorden en oosten, de laatste twee op Tasmanië.
Leefgebied
Droog en vochtig sclerofylbos en woodland van de zuidwesthoek: jarrah, marri, karri, tuart, wandoo en flooded gum, zowel aan de kust als landinwaarts, plus oudere tuinen, parken en straatbeplanting waar grote eucalypten zijn blijven staan. Hij foerageert in de kroon en op de takken en leeft vooral van geleedpotigen — insecten, spinnen en lerp — aangevuld met nectar, honingdauw en manna. Het broeden loopt van september tot februari, met een kopvormig nest van plantenvezels hoog in de kroon, doorgaans twee gevlekte eieren, een bebroeding van ongeveer veertien dagen en een nestjongperiode van nog eens veertien dagen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië, van ongeveer Moora en het Julimar State Forest in het noorden zuidwaarts en oostwaarts langs de kust tot Stokes Inlet en Cape Arid, en landinwaarts tot de Stirling Range en de rand van de graangordel. Daarbuiten komt hij nergens voor: niet in het overige West-Australië, niet in het oosten van het continent, niet op Tasmanië en niet in Nieuw-Zeeland. Hij is grotendeels standvogel; er zijn wel plaatselijke verplaatsingen, waarbij vogels de bloei van eucalyptus volgen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In het zuidwesten hoeft u maar twee diadeemhoningeters uit elkaar te houden, en dat lukt met één blik op de kop: zwart met een witte vlek boven het oog is deze soort, bruin met een complete lichte oogring is de bruine diadeemhoningeter. Zoek hem in het karri- en jarrahbos rond Pemberton, Walpole en de Perth Hills, hoog in de kronen en meestal in troepjes van een handvol vogels. Een bloeiende marri trekt hem betrouwbaar aan; ga er onder staan en wacht tot het gezelschap langskomt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in het grootste deel van het zuidwestelijke bos gewoon. Toch zijn er duidelijke regionale afnames vastgesteld, onder meer op de Swan Coastal Plain rond Perth en in het landbouwgebied bij Kellerberrin, waar het oorspronkelijke woodland tot kleine restanten is teruggebracht. De soort is voor haar voedsel en nestplaats aan opgaand eucalyptusbos met oude bomen gebonden, en zowel stadsuitbreiding als de ontginning voor de graangordel hebben daar flink in gesneden. Daar komt de verdroging van de zuidwesthoek bij, die de bloei van de belangrijkste nectarbomen minder voorspelbaar maakt.
Wetenschappelijke naam
Melithreptus chloropsis | Gould, 1848
Gould beschreef de vogel in 1848 als Melithreptus chloropsis; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want de soort is altijd in dit geslacht gebleven, ook al werd ze lange tijd als ondersoort van Melithreptus lunatus behandeld. Chloropsis is gevormd uit het Griekse chloros, 'groengeel', en opsis, 'gezicht' of 'aanblik', en slaat op de groenwitte kale huid boven het oog. De Engelse naam Gilbert's Honeyeater eert John Gilbert, de verzamelaar die voor Gould in West-Australië werkte; een oudere Engelse naam is Swan River Honeyeater, naar de rivier waaraan Perth ligt. Daar sluiten de Nederlandse naam swandiadeemhoningeter en de Spaanse mielero nuquiblanco occidental bij aan, die respectievelijk de rivier en de westelijke ligging noemen.


