Alle soorten › Zangvogels
Zangvogels | Passeriformes
Passerines | Paseriformes
Zangvogels vormen wereldwijd de grootste vogelorde, met een poot waarbij drie tenen naar voren en één grote teen naar achteren wijst; een pees-vergrendelingsmechanisme sluit die teen automatisch om een tak, zodat de vogel ook in slaap niet van zijn stok valt. Een complex strottenhoofd, de syrinx, met meerdere onafhankelijk bestuurbare spierparen, maakt de gevarieerde zang mogelijk waarmee een territorium wordt afgebakend of een partner aangetrokken. De jongen komen naakt en hulpeloos uit het ei en blijven tot ver na het uitvliegen afhankelijk van de ouders. De hele orde is in Australazië ontstaan: de oudste takken leven hier nog, en de zangvogels van de rest van de wereld zijn er later uit voortgekomen.
Families in deze orde
- Nieuw-Zeelandse winterkoningen | AcanthisittiDeze clade bestaat uit vier nog levende soorten, alle vier endemisch in Nieuw-Zeeland en nergens anders ter wereld. Het zijn kleine, gedrongen vogels met een korte staart en ronde vleugels; de vlucht is zwak en gaat over korte afstand, en verscheidene soorten uit de groep zijn inmiddels uitgestorven. Het nest ligt verscholen in een holte, een rotsspleet of onder boomwortels. Het stemorgaan wijkt zowel van de echte zangvogels als van de schreeuwvogels af, met een eigen, eenvoudiger bouw.
- Nieuw-Zeelandse winterkoningen | Acanthisittidae2 soorten
- Schreeuwvogels | TyranniTirannen, mierenvogels, ovenvogels en, in de Oude Wereld, breedbekken en pitta's - bijna allemaal soorten van Zuid-Amerika en de tropen rond de Indische Oceaan. Hun zang ligt vast in de genen: ze leren hem niet van buren, en hun stemorgaan wordt door minder spieren bestuurd dan dat van de echte zangvogels.
- Pitta's | Pittidae3 soorten
- Echte zangvogels | PasseriWat deze groep binnen de orde apart zet, is dat de zang niet vastligt maar moet worden geleerd: een jonge vogel neemt in zijn eerste maanden het voorbeeld van volwassen buren over, en daardoor klinkt één soort van streek tot streek anders. Het stemorgaan draagt daarvoor het volledige aantal spierparen; sommige soorten brengen zo twee tonen tegelijk voort, andere nemen hele stukken uit het geluid van hun omgeving over. Zang dient zowel om een territorium af te bakenen als om een partner te kiezen, en veel soorten hebben er een vast repertoire van tientallen motieven voor. Met ruim vierduizend soorten vormt de groep het grootste deel van de orde; hij komt over de hele wereld voor en is het rijkst aan vormen in Australië en omgeving.
- Kraaien en verwanten | CorvidesNaar zangvogelmaten grote, zwaar gebouwde vogels met een krachtige, vaak licht gehaakte snavel, die eten wat voorhanden is: insecten en vruchten, maar ook eieren, jonge vogels en aas. Naar verhouding tot hun lichaam hebben ze de grootste hersenen van alle vogels, en dat is te merken aan hun geheugen voor plaatsen, hun omgang met voorwerpen en het gemak waarmee ze geluiden nadoen. Ze worden oud, blijven vaak jarenlang bij dezelfde partner en leven in familiegroepen waarin jongen van het vorige jaar meehelpen bij het grootbrengen van een nieuw broedsel. Het legsel is klein en het nest een stevige kom hoog in boom of struik. Het zwaartepunt van de groep ligt in Australazië en op de eilanden ten noorden van Australië, en de meeste soorten blijven het hele jaar in hun gebied.
- Lierstaarten | Menuridae2 soortenDe syrinx van de lierstaart is met drie spierparen de eenvoudigst gebouwde van alle zangvogels, en toch komt er de nauwkeurigste nabootsing uit die bij vogels bekend is: het zangvogelrepertoire van het hele bos, tot het alarm van een zwerm en het klapperen van vleugels aan toe, achter elkaar en herkenbaar per soort. Een mannetje zingt in de winter, urenlang, vanaf een aarden hoop die hij met de poten heeft opgeworpen en waarop hij zijn staart over de rug slaat. Het vrouwtje bouwt alleen: een overkoepeld nest met een zij-ingang, van takjes en mos, meestal laag of op de grond. Er wordt één ei gelegd en ongeveer vijftig dagen bebroed, het langste van alle zangvogels, en het jong blijft daarna nog maanden bij de moeder. Al scharrelend keert een lierstaart de bosbodem om; een enkele vogel verzet in een jaar tonnen grond en bladafval.
- Struikvogels | Atrichornithidae2 soorten
- Australische boomkruipers | Climacteridae6 soorten
- Prieelvogels | Ptilonorhynchidae11 soortenHet prieel is geen nest. Het is een bouwsel van takjes op de grond waar alleen gepaard wordt, en het wordt jaar na jaar op dezelfde plek onderhouden. Twee vormen komen voor: een laan van twee rechtopstaande wandjes waar het vrouwtje doorheen kijkt, en een toren van takjes om een jonge boom. Vóór het prieel wordt een verzameling voorwerpen uitgelegd, bij elke soort in een eigen kleur — blauw, wit, groen, of glas en plastic uit de bewoonde wereld — en die verzameling wordt geordend, bewaakt en bij de buren gestolen. De satijnblauwe prieelvogel beschildert de binnenwanden met een papje van gekauwd plantaardig materiaal, aangebracht met een propje bast. De grote prieelvogel legt zijn voorwerpen op grootte, van klein bij de ingang naar groot daarbuiten, waardoor het perspectief vanuit de laan vervalst wordt. Het vrouwtje bouwt het nest, broedt en voert alleen; jonge mannetjes doen jaren over hun volwassen kleed en oefenen ondertussen op eigen, slordige prielen.
- Elfjes | Maluridae27 soortenKleine vogels die de lange staart rechtop dragen en zich al huppend door dichte struiklaag, spinifex of riet bewegen; ze vliegen zelden ver. Het mannetje ruit voor het broedseizoen in een fel gekleurd kleed en verliest dat daarna weer. Ze leven in groepen: een paar met helpers, meestal zonen van vorige jaren, die het nest bewaken en de jongen voeren. Tegelijk is de trouw binnen het paar bij deze familie zo laag als bij vrijwel geen andere vogelgroep — het merendeel van de jongen in een nest is bij een ander mannetje verwekt, vaak bij een buurman die vóór zonsopkomst op bezoek gaat. Een mannetje draagt daarbij een bloemblad of een gekleurd bloemdek in de snavel als vertoon. Tot de familie horen ook de grasvogels van het droge binnenland en de emoestaarten, waarvan de staart uit een handvol losse, veerachtige schachten bestaat die het licht doorlaten.
- Borstelvogels | Dasyornithidae3 soorten
- Pardaloten | Pardalotidae4 soorten
- Doornsnavels en verwanten | Acanthizidae45 soorten
- Honingeters | Meliphagidae78 soortenDe tong loopt uit in een borstel van fijne, gespleten uiteinden die zich in nectar volzuigen zoals een kwast in verf; de vogel steekt hem tot tien keer per seconde in en uit een bloem. Deze familie is in dit gebied de grootste van alle en de belangrijkste bestuiver: eucalyptus, banksia en grevillea worden vrijwel geheel door vogels bestoven en niet door insecten. Naast nectar wordt veel insect gegeten, en de suikerdopjes van bladvlooien die op eucalyptusblad worden afgezet. Veel soorten dragen kale huid rond het oog of lellen aan de keel, in geel, rood of blauw. Ze zijn luidruchtig en fel: de mijnvogels leven in grote kolonies en verjagen samen elke andere vogel uit hun bomen, tot roofvogels aan toe. Omdat bloei van jaar tot jaar verschuift, zijn de meeste soorten zwervend en volgen ze het bloeifront over honderden kilometers.
- Stekelstaarten | Orthonychidae2 soorten
- Australische babbelaars | Pomatostomidae4 soorten
- Kwartellijsters | Cinclosomatidae7 soorten
- Rupsvogels | Campephagidae7 soorten
- Witkoppen | Mohouidae3 soorten
- Bootbekken | Machaerirhynchidae1 soort
- Spitsvogels, orgelvogels en verwanten | Artamidae14 soortenTwee heel verschillende soorten vogel in één familie. De spitsvogels hebben lange, spitse vleugels, zweven urenlang op thermiek en vangen insecten in de vlucht; ze hebben als enige zangvogels buiten de honingeters een borsteltong, en ze kruipen 's nachts en bij kou met tientallen tegelijk in een kluwen tegen een stam, de een over de ander. De orgelvogels en de klauwierkraaien zijn zwaargebouwd, met een rechte, aan de punt gehaakte snavel; ze eten op de grond, foerageren lopend en klemmen grotere prooi in een vork of aan een doorn om hem uit elkaar te trekken. De zang van de zwartrugfluitvogel bestaat uit lange, vloeiende reeksen die een groep in beurtzang uitvoert, waarbij twee vogels de zinnen zo strak in elkaar schuiven dat ze als één vogel klinken; die zang bakent een territorium af dat een groep jaren achtereen bezet houdt. In de broedtijd verdedigen enkele vogels dat gebied tegen alles wat langsloopt.
- Sittella's | Neosittidae1 soort
- Zweepvogels | Psophodidae4 soorten
- Australische klokvogels | Oreoicidae1 soort
- Klauwierdikkoppen | Falcunculidae3 soorten
- Wielewalen | Oriolidae3 soorten
- Dikkoppen | Pachycephalidae12 soorten
- Waaierstaarten | Rhipiduridae7 soorten
- Drongo's | Dicruridae1 soort
- Monarchen | Monarchidae13 soorten
- Australische modderbouwers | Corcoracidae2 soorten
- Paradijsvogels | Paradisaeidae4 soorten
- Kraaiachtigen | Corvidae7 soorten
- Hihi | Notiomystidae1 soort
- Lelvogels | Callaeidae3 soorten
- Australische vliegenvangers | Petroicidae26 soorten
- Mussen en verwanten | PasseridesTegenover de kraaiengroep staat hier de andere helft van de zangvogels: overwegend kleine, licht gebouwde vogels met een fijne snavel, die insecten, zaden en nectar van blad, twijg en bodem plukken. Ze leggen grotere legsels, brengen vaak twee of drie broedsels per jaar groot en bouwen daarvoor een open kom of een gesloten nest in dekking, in een holte of tegen een muur. In het noorden verdwijnt het merendeel zodra de insecten opraken en wordt het territorium in het voorjaar met zang opnieuw opgeëist. Buiten Australazië is dit verreweg de talrijkste groep zangvogels: vrijwel elke zangvogel die je in Europa ziet, hoort hier.
- Mezen, zwaluwen en zangers | SylviidaKleine insecteneters met een dunne, spitse snavel, die hun voedsel tussen blad en twijgen vandaan halen of het in de lucht vangen. Het kleed is groen, grijs of bruin, met weinig verschil tussen man en vrouw en vaak nog minder tussen nauw verwante soorten - het is de groep waar de vogelaar meer aan zijn oor dan aan zijn oog heeft. Het nest ligt diep in de begroeiing, in een holte of als gesloten bal tussen de stengels, en het legsel is voor zangvogels groot. Veel soorten brengen de winter ten zuiden van de Sahara of in Zuid-Azië door, en buiten de broedtijd trekken ze in gemengde groepjes door struweel en kruinen.
- Leeuweriken | Alaudidae2 soorten
- Graszangers | Cisticolidae2 soorten
- Rietzangers | Acrocephalidae1 soort
- Sprinkhaanzangers | Locustellidae6 soorten
- Zwaluwen | Hirundinidae7 soorten
- Buulbuuls | Pycnonotidae1 soort
- Brilvogels | Zosteropidae4 soorten
- Lijsters, vliegenvangers en spreeuwen | MuscicapidaZangvogels die vanaf een vaste post werken: rechtop zittend kijken ze rond en storten zich op wat beweegt, of ze plukken insecten van bast, tak en bodem. De poten zijn stevig, de snavel is aan de basis breed en staat vol borstelharen, en de zang is luid en muzikaal, met een groot aantal motieven achter elkaar. Het eerste kleed van de jongen is gevlekt of geschubd, ook bij soorten die als volwassen vogel effen zijn. In de nazomer en winter stappen de meeste soorten grotendeels over op bessen en ander zacht fruit - de reden dat lijsters in koude winters massaal naar het westen schuiven.
- Spreeuwen | Sturnidae4 soorten
- Lijsters | Turdidae4 soorten
- Vinken, mussen en gorzen | PasseridaZaad is hier het hoofdvoedsel van de volwassen vogels: de snavel is kegelvormig of juist fijn en pincetachtig, het voedsel wordt lopend of huppend op de grond gezocht en de vogels moeten dagelijks drinken. De jongen krijgen niettemin bijna overal insecten, ook bij soorten die zelf uitsluitend zaad eten. Man en vrouw verschillen vaker en sterker in kleed dan in de andere groepen, en de zang is kort en herhalend, gebracht vanaf een open zitplaats of in een zangvlucht boven open terrein. Buiten de broedtijd verzamelen veel soorten zich in groepen waar zaad ligt: stoppelvelden, ruigten en voerplaatsen bij huis.
- Bastaardhoningvogels | Dicaeidae2 soorten
- Honingzuigers | Nectariniidae1 soort
- Prachtvinken | Estrildidae19 soorten
- Heggenmussen | Prunellidae1 soort
- Mussen | Passeridae2 soorten
- Kwikstaarten en piepers | Motacillidae5 soorten
- Vinkachtigen | Fringillidae4 soorten
- Gorzen | Emberizidae2 soorten