Alle soortenZangvogelsDoornsnavels en verwanten › Tasmaanse struiksluiper

Tasmaanse struiksluiper | Acanthornis magna

Scrubtit | Sedosito tasmano

De Tasmaanse struiksluiper is de enige soort van het geslacht Acanthornis en komt alleen op Tasmanië en King Island voor. Het is een vogeltje van elf tot twaalf centimeter dat zich als een muis langs bemoste stammen en omgevallen bomen werkt, met een witte keel, een bleek oog en witte stipjes op de gesloten vleugel.

Tasmaanse struiksluiper (Acanthornis magna)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil, en juist daarom lastig te vinden. De contactroep is voor zo'n klein vogeltje verrassend luid en helder; de zang is zoet en muzikaal, maar wordt spaarzaam gebruikt. In het gedempte, druipende regenwoud draagt dat contactgeluid ver, en het is vaak het enige wat de aanwezigheid van een paartje verraadt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Elf tot twaalf centimeter, ongeveer tien gram. Bruin op kruin, rug, flanken en staart, met een scherp afgescheiden witte keel en witte buik; dat contrast is het beste kenmerk. Op de donkere vleugel staan witte stipjes, de kopzijde is grijzig, en het oog is opvallend bleek. De snavel is kort, zwart en licht gebogen. Man en vrouw zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De Tasmaanse nachtegaalstruiksluiper (Sericornis humilis) deelt het bos en is ongeveer even groot, maar mist de scherp afgescheiden witte keel en buik en heeft geen witte vleugelstipjes. De Tasmaanse doornsnavel (Acanthiza ewingii) is kleiner en fijner, olijfbruin zonder wit keelcontrast, en heeft een roestbruin vleugelpaneel in plaats van witte stippen; ook de bruine doornsnavel (A. pusilla) op Tasmanië mist het witte keelcontrast en heeft een donkerrood oog. Het bleke oog in combinatie met de witte keel sluit alle drie uit.

Leefgebied

Gematigd regenwoud, zuidelijk beukenbos met bemoste stammen, en nat eucalyptusbos met een dichte ondergroei van varens. Op King Island zit de soort vooral in opgaand moerasbos van papierschorsboom, een terreintype dat daar bijna helemaal is verdwenen. Hij foerageert laag, vaak binnen een paar meter van de grond, op schors, omgevallen stammen en in de strooisellaag.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch op Tasmanië en King Island, en nergens anders. Twee ondersoorten: de nominaatvorm op Tasmanië en A. m. greeniana op King Island, die kleiner en bleker is. Op Tasmanië is de soort wijdverbreid in het natte bos en niet zeldzaam, al blijft hij door zijn stille levenswijze gemakkelijk over het hoofd te zien.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in gematigd regenwoud bij een omgevallen, bemoste stam staan en wacht. Deze soort loopt eerder dan dat hij vliegt, en werkt zich langs de onderkant van stammen en takken; die kruipende manier van doen verraadt hem al voordat u de kleuren ziet. Zoek dan het bleke oog en de witte keel, en let op de witte stipjes op de vleugel.

Staat van instandhouding

De soort als geheel is niet bedreigd (LC) en op Tasmanië wijdverbreid. De ondersoort van King Island is dat allerminst: die telt nog ongeveer vijftig vogels in drie gescheiden deelpopulaties, staat als ernstig bedreigd te boek onder zowel de Australische wet als de criteria van de Rode Lijst, en geldt als een van de Australische vogels die het dichtst bij uitsterven staan. Verlies en versnippering van het moerasbos, inteelt, katten, ratten en door klimaatverandering feller wordende bosbranden zijn daar de oorzaken.

Wetenschappelijke naam

Acanthornis magna | (Gould, 1855)

John Gould beschreef de vogel in 1855 als Acanthiza magna; de typelocatie is Tasmanië. Omdat de soort later naar een eigen geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acanthornis is gevormd uit het Griekse akantha, 'doorn', en ornis, 'vogel'. Het Latijnse magnus betekent 'groot': niet groot in het algemeen, maar groot voor een doornsnavel, want daarbij werd de soort oorspronkelijk ingedeeld.