Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Tureluur

Tureluur | Tringa totanus

Common Redshank | Archibebe común

De tureluur is in Europa de gewoonste ruiter van de kwelder, maar in Australië een zeldzaamheid waar verzamelde waarnemers voor omrijden: een middelgrote steltloper van bijna dertig centimeter met felle oranjerode poten, een snavel die aan de basis rood is, en in de vlucht twee brede witte achterranden die hem in één oogopslag vastleggen. Hij is luidruchtig en waakzaam en alarmeert een heel wad bij elkaar.

Tureluur (Tringa totanus)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid, klagend en klankvol fluitsignaal dat vaak in een dalende triller doorloopt: tjuu-huu-huu, bij onrust versneld tot een doordringend tjuu-tjuu-tjuu-tjuu dat over de hele plaat draagt. Het is voller en klagender dan het heldere driedelige fluitje van de groenpootruiter en veel lager dan het scherpe gepiep van de poelruiter. Hij is doorgaans de eerste vogel van een groep die opvliegt en roept, wat hem in Europa de bijnaam wachter van het wad heeft opgeleverd.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote, gedrongen ruiter van zevenentwintig tot negenentwintig centimeter, in winterkleed egaal grijsbruin van boven en witachtig van onderen, in zomerkleed warmer bruin met donkere vlekken en een fijn gestreepte borst. Twee kenmerken beslissen alles: de poten zijn oranjerood, in winterkleed wat fletser oranje, en de rechte snavel is over de basale helft rood met een zwarte punt. In de vlucht is hij onmiskenbaar door de brede, zuiver witte achterranden van beide vleugels, die als twee lichte banden meebewegen, plus een witte wig die van de stuit de rug op loopt. De poten steken maar weinig voorbij de staart uit.

Verwarrings­soorten

De groenpootruiter (Tringa nebularia) is groter en bleker, heeft geelgroene poten en een opgewipte snavel zonder rood, en mist de witte achtervleugelranden volledig — dat laatste kenmerk alleen sluit de verwarring al af. De poelruiter (Tringa stagnatilis) is kleiner en fijner, met groene poten en een naaldsnavel. De bosruiter (Tringa glareola) heeft geelgroene poten, een sterk gevlekte bovenzijde en een vierkante witte stuit zonder witte vleugelranden. Bij de oeverloper (Actitis hypoleucos) is de witte vleugelstreep smal en midden over de vleugel gelegen in plaats van breed langs de achterrand, en zijn de poten grijsgroen. Buiten dit groepje kan een tureluur op afstand aan een kemphaan doen denken, maar die heeft een kleinere kop, een korte gebogen snavel en oranje tot roze poten zonder rode snavelbasis.

Leefgebied

In het beperkte aantal Australische gevallen vrijwel altijd de kust: intergetijdenslik en zandplaten van grote baaien en estuaria, de randen van mangrovekreken, zoutwinningsbekkens en kwelders met samphire. Hij foerageert lopend op het slik, pikkend en kort prikkend, en rust bij hoogwater tussen andere steltlopers op een zandbank of kwelderrand. Landinwaarts verschijnt hij hier zo goed als niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Een schaarse maar bijna jaarlijkse gast in het noordwesten van Australië, met het zwaartepunt bij Roebuck Bay en de vlakten rond Broome en verder bij Darwin en aan de Top End-kust; buiten die hoek is elke melding uitzonderlijk. De vogels verschijnen in het Australische voorjaar en de zomer, tussen ongeveer september en maart, meestal als enkeling tussen groepen groenpootruiters en rosse grutto's. Nieuw-Zeeland en Norfolk bereikt hij niet. Het gaat om vogels van de oostelijke ondersoorten, die normaal in Zuidoost-Azië overwinteren en hier de zuidgrens van hun trekweg overschrijden.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop op Roebuck Bay of het Darwinse slik de hoogwatervluchtplaats langs en kijk uitsluitend naar poten: tussen honderden groene en grijze poten springt een paar oranjerode er meteen uit. Wacht daarna tot de groep opvliegt, want de twee brede witte achtervleugelranden zijn het kenmerk dat geen enkele andere ruiter hier vertoont, en laat de vogel als het kan roepen — het klagende tjuu-huu-huu maakt de determinatie waterdicht.

Staat van instandhouding

Niet in gevaar (LC): de soort broedt van IJsland tot in China en telt wereldwijd honderdduizenden paren. Voor deze gids is hij geen instandhoudingszaak maar een zeldzaamheid, al hangt hij op de Aziatische tak van zijn areaal wel af van dezelfde intergetijdenvlakten rond de Gele Zee die voor de andere steltlopers van deze trekweg het knelpunt vormen. In Europa staat hij juist wél onder druk, door ontwatering en intensivering van het grasland waarin hij broedt.

Wetenschappelijke naam

Tringa totanus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de vogel in 1758 als Scolopax totanus, met Zweden als typelocatie; door de latere verplaatsing naar Tringa staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton totanus is geen klassiek Latijn maar een overgenomen volksnaam: tótano, het Italiaanse woord voor deze vogel. De geslachtsnaam Tringa gaat via het Neolatijn terug op het Griekse trungas bij Aristoteles. De Nederlandse naam tureluur is klanknabootsend en geeft de dalende driedelige roep weer; het Engelse Redshank noemt, net als de meeste Europese namen, de rode poten.