Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Veelkleurige lori
Veelkleurige lori | Psitteuteles versicolor
Varied Lorikeet | Lori versicolor
De veelkleurige lori is het kleine, gestreepte lori’tje van tropisch Noord-Australië: groen met over het hele kleed korte gele lengtestreepjes, een helderrode kruin en een lichte oorvlek. Hij zwerft in snelle, schreeuwende troepjes door de savanne en is een van de meest onvoorspelbare vogels van het Top End — de ene week met honderden aanwezig, de volgende nergens te bekennen.
Geluid
De contactroep is een scherpe, schrille schreeuw, in de vlucht zonder ophouden herhaald, zodat een troep vrijwel altijd eerder gehoord dan gezien wordt. Het geluid is hoger en ijler dan het gekrijs van de roodhalsregenbooglori waarmee hij vaak in dezelfde boom zit. Foeragerend klinkt een zacht, hoog gekeuvel, afgewisseld met kort, nijdig gekibbel om bloemtrossen; jongen bedelen met een aanhoudend, piepend geratel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Zeventien tot twintig centimeter en vijftig tot tweeënzestig gram, kleiner dan een muskusparkiet. Het kleed is groen maar over de hele vogel bezaaid met korte gele lengtestreepjes, een streping die geen andere lori van het gebied heeft. Voorhoofd, teugels en kruin zijn helderrood, de oorstreek draagt een bleekgele vlek, en over de bovenborst ligt een mauve tot roze waas met gele strepen. De snavel is koraalrood, rond het oog ligt een bleke ring. Het vrouwtje heeft minder rood op de kop en een doffere borst; jonge vogels hebben nauwelijks rood op het voorhoofd, missen de roze borstwaas en hebben een hoornkleurige snavel.
Verwarringssoorten
In zijn hele areaal deelt hij de bomen met de roodhalsregenbooglori (Trichoglossus rubritorquis), die anderhalf keer zo lang is en een donkerblauwe kop, een oranjerode nekkraag en een zwarte buik heeft — waar deze soort een rode kruin, een gestreept groen kleed en geen enkel blauw toont. De regenbooglori (Trichoglossus moluccanus) van verder oostelijk is op dezelfde punten te scheiden. De kleine lori’s van het zuiden, de dwerglori (Parvipsitta pusilla) en de purperkaplori (Parvipsitta porphyrocephala), overlappen niet met hem en zijn bovendien effen groen zonder gele streping. In het noorden is een klein, gestreept lori’tje met een rode kruin altijd deze soort.
Leefgebied
Open eucalyptusbos en moessonwoodland van de tropische savanne, met een uitgesproken voorkeur voor de stroken langs kreken en voor de randen van moerassen; bloeiende paperbarks en Darwin woollybutt zijn zijn belangrijkste voedselbomen. Daarnaast foerageert hij in grasland met verspreide bomen en in bloeiende melaleucamoerassen. Broeden doet hij in ongevoerde boomholten, meestal in een horizontale tak.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Tropisch Noord-Australië, van Broome en het grootste deel van het Kimberley-gebied in West-Australië door het Top End van het Noordelijk Territorium tot aan de zuidpunt van de Golf van Carpentaria en in Queensland zuidwaarts tot ongeveer Mount Isa. Noordelijk komt hij bij uitzondering tot aan de Jardine op Kaap York. Hij is uitgesproken zwerfzuchtig en volgt de bloei over grote afstanden, zodat zijn aanwezigheid in een streek van jaar tot jaar sterk wisselt.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in het droge seizoen bij bloeiende paperbarks langs een kreek en luister naar het schrille geroep boven je hoofd; troepen komen hoog en snel over en laten zich dan plotseling in de kroon vallen. Kijk daarna naar de textuur in plaats van naar de kleur: op een goed belichte vogel is de gele streping over het groen van vijftien meter afstand nog te zien en is dat het enige kenmerk dat je nodig hebt. Zit er een grotere lori naast met een blauwe kop, dan heb je meteen de maatvergelijking erbij.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een groot areaal in dunbevolkt gebied en geen aangetoonde landelijke afname. Als holtebroeder is hij wel afhankelijk van oude savannebomen, en de veranderde brandhuishouding in Noord-Australië — te frequente en te late branden in het droge seizoen — vermindert op termijn het aantal holtebomen. Omdat hij zeer ver zwerft, is hij moeilijk te tellen en zijn plaatselijke aantallen geen goede maat voor de stand; een echte landelijke trend is daarom niet bekend.
Wetenschappelijke naam
Psitteuteles versicolor | (Lear, 1831)
Edward Lear beeldde de vogel in 1831 af in zijn Illustrations of the Family of Psittacidae en noemde hem Trichoglossus versicolor; er stond geen vindplaats bij, en Mathews stelde de typelocatie later op Kaap York in Queensland. Auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat de soort later van geslacht wisselde. Het Latijnse versicolor betekent ‘van wisselende kleur, bont’, waarnaar ook de Nederlandse en Engelse naam verwijzen. Het geslacht Psitteuteles werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte en is gevormd uit de naam Psittacus euteles, die Temminck in 1835 gaf aan de olijfkoplori; Gray wees in 1855 juist deze soort als typesoort aan.



