Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Witwangreiger
Witwangreiger | Egretta novaehollandiae
White-faced Heron | Garceta cariblanca
De witwangreiger is de gewoonste reiger van Australazië: een slanke, blauwgrijze vogel met een scherp afgetekend wit gezicht, die overal staat waar water is — van het slik in het estuarium tot de plas op een sportveld. Nieuw-Zeeland heeft hij op eigen kracht gekoloniseerd, in de jaren veertig van de vorige eeuw, en hij is er inmiddels een van de algemeenste grote vogels.
Geluid
Een schorre, grindachtige kras die hij vrijwel altijd in de vlucht laat horen: graak of graauw, één enkele klank, en het geluid dat een opgeschrikte vogel achterlaat wanneer hij van een slootkant opvliegt. Bij ruzie om een visplek klinkt dezelfde kras harder en herhaald. Bij het nest gaat hij over op een zachter, drielettergrepig gou-gou-gou bij de begroeting. Verder is hij stil.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke reiger van ruim zestig centimeter, licht blauwgrijs van kleur, met een lange dunne hals, een spitse grijszwarte snavel en lange vuilgele poten. Wat hem vastlegt is het witte gezicht: voorhoofd, kin en keel zijn scherp wit afgetekend tegen het grijs, en die tekening houdt hij het hele jaar. De slagpennen zijn donkerder dan de rest en vormen in de vlucht een duidelijke donkere vleugel. In de broedtijd komen er lange, roodbruine tot bronskleurige sierveren op voorhals, borst en rug. Jonge vogels missen dat en hebben een minder scherp wit gezicht. In de vlucht trekt hij de hals in en slaat traag door.
Verwarringssoorten
De witnekreiger (Ardea pacifica) is groter en donkerder, met een geheel witte hals in plaats van alleen een wit gezicht, en houdt van ondiepe binnenwateren. De pacifische rifreiger (Egretta sacra) in zijn donkere vorm is compacter, kortpotiger en leikleurig zonder wit gezicht, en staat op rotskusten en riffen. De kleine zilverreiger (Egretta garzetta) en de grote zilverreiger (Ardea alba) zijn geheel wit. Een jonge witwangreiger met vaag gezicht is de vogel waarbij men het langst twijfelt; let dan op de gele poten en de slanke bouw.
Leefgebied
Overal waar water staat, tot vijfhonderd meter hoogte: slikplaten en estuaria, rotskusten, riffen, ondiepe meeroevers, kreken, sloten, rijstvelden, veedrinkplaatsen, rioolwaterbekkens. Na regen loopt hij ook op vochtig weiland en op sportvelden midden in de stad, waar hij naar wormen en insecten zoekt. Broeden doet hij solitair of in kleine groepjes, in een losse takkenmand hoog in een boom, meestal in de buurt van water maar soms in een straatboom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel heel Australië behalve de droogste woestijn, en op Tasmanië en de meeste kusteilanden. Verder Nieuw-Guinea, de Torresstraat-eilanden, Indonesië, Nieuw-Caledonië en Norfolk. Nieuw-Zeeland is het jongste hoofdstuk: hij stak in de jaren veertig op eigen kracht over, breidde zich vanaf de jaren vijftig snel uit en zit nu op beide eilanden en op de Chathams. Trekken doet hij niet, maar hij zwerft met het water mee, en in droge jaren schuiven de binnenlandse vogels naar de kust.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk niet alleen naar het water: in de winter, van juni tot augustus, staat hij na regen op weiland, golfbaan en sportveld, ver van elke oever, en dat is de plek waar men hem het beste van dichtbij ziet. Op het slik loont het zijn manier van jagen te volgen — hij loopt snel, roert met een poot in de modder en stoot dan toe, waar de zilverreigers roerloos staan. Het witte gezicht licht in tegenlicht als eerste op.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), talrijk en over het hele areaal stabiel of toenemend. Hij heeft van menselijk landgebruik geprofiteerd als weinig andere reigers: veedammen, irrigatiekanalen, rijstvelden, rioolwaterbekkens en besproeide gazons hebben hem voedsel en ruimte gegeven, en de kolonisatie van Nieuw-Zeeland is daarop gevolgd. Plaatselijk verliest hij nesten aan het kappen van oeverbomen en aan verstoring, en droogtejaren in het binnenland drukken tijdelijk de aantallen, maar op de soort als geheel heeft dat geen greep.
Wetenschappelijke naam
Egretta novaehollandiae | (Latham, 1790)
Latham beschreef de soort in 1790 als Ardea novaehollandiae; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Egretta werd in 1817 ingevoerd door Johann Reinhold Forster en komt van het Provençaals-Franse aigrette, 'kleine zilverreiger', zelf een verkleinvorm van aigron, 'reiger'. novaehollandiae betekent 'van Nieuw-Holland', de oude naam van Australië, waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. De plaatsing in Egretta in plaats van Ardea rust op skeletbouw en op DNA-onderzoek.




