Alle soorten › Roofvogels
Roofvogels | Accipitriformes
Birds of prey | Rapaces diurnas
Deze overdag jagende roofvogels doden hun prooi met de krachtige poten en scherpe, gebogen klauwen; de sterk gehaakte snavel komt er pas daarna aan te pas, om het vlees los te scheuren. De ogen zijn groot en uitzonderlijk scherp, en bij de meeste soorten is het vrouwtje duidelijk groter dan het mannetje. De brede, lange vleugels zijn gebouwd om urenlang te zweven op thermiek of wind, en onverteerbare resten als botjes en haren worden als braakbal uitgespuwd. Het nest is meestal een fors bouwwerk van takken, vaak jarenlang hergebruikt en uitgebreid, met een klein legsel en donzige, nestblijvende jongen die lang bij de ouders blijven. Nieuwewereldgieren, valken en uilen leven op een vergelijkbare manier, maar staan in deze indeling in andere ordes.
Families in deze orde
- Visarenden | Pandionidae1 soortDe familie telt wereldwijd één soort, die vrijwel uitsluitend van levende vis leeft. Boven ondiep water blijft de vogel biddend op één plek hangen en laat zich dan met de poten vooruit vallen; bij de klap gaat hij vaak helemaal kopje-onder en werkt hij zich met zware slagen weer los, om in de vlucht het water uit het kleed te schudden. De buitenste teen kan naar achteren worden gedraaid, zodat de vis met twee tenen voor en twee achter wordt vastgeklemd; de zolen zijn bezet met stekelige schubjes en de klauwen zijn rond in doorsnede en sterk gekromd, wat grip geeft op een glibberige prooi. De vangst wordt met de kop naar voren en in de lengterichting van het lichaam gedragen, wat de luchtweerstand beperkt. Het kleed is dicht en vettig, en de neusgaten kunnen tijdens de duik worden gesloten. In de zweefvlucht is de vleugel bij de pols geknikt, met hangende handpennen. Boven de nestplaats klinkt een aanhoudende reeks korte, opgaande fluittonen; op palen, vaarbakens en geplaatste platforms wordt zonder schroom vlak bij mensen gebroed.
- Havikachtigen | Accipitridae27 soortenAnders dan de brede, lange zweefvleugels die bij de orde horen, hebben de bosbewonende haviken binnen de familie juist korte, ronde vleugels en een lange staart, gebouwd voor snelle, wendbare achtervolgingen tussen de takken in plaats van voor uren zweven. Na een succesvolle jacht kan een prooi met de vleugels wijd over het karkas gespreid aan het zicht van andere roofvogels worden onttrokken, een houding die mantelen wordt genoemd. In de krop kan een grote hoeveelheid vlees tijdelijk worden opgeslagen, waardoor de vogel na een geslaagde jacht dagenlang zonder nieuwe prooi verder kan. Tijdens de trek verzamelen honderden vogels zich soms in dezelfde opstijgende thermiekbel en vormen zo een langzaam ronddraaiende 'ketel' voordat ze er gezamenlijk in glijvlucht weer uit vertrekken.