De leefgebieden van Noord-Amerika

Elke soort in deze gids is gekoppeld aan de leefgebieden waar hij in Noord-Amerika het meest voorkomt. De indeling volgt de USNVC, de vegetatieclassificatie die de Verenigde Staten en Canada delen, aangevuld met CMECS voor zee en kust en met de culturele tak voor akker en bebouwing. Tien hoofdgroepen, van zee tot stad, en daaronder vierenveertig formaties. Per vogel staan er hooguit vijf: niet alles waar hij ooit is gezien, maar waar hij werkelijk thuishoort.

Klik op een leefgebied voor de beschrijving.

Zee A

Hoofdgroep Zee omvat het mariene milieu van Noord-Amerika, van de getijdenzone tot de open oceaan en het pakijs. De indeling volgt CMECS en telt vijf formaties: wad en slik in de getijdenzone, rotskust in de getijdenzone, kelpwoud en ondiepe zeebodem, open zee, en zee-ijs. Ze verschillen in substraat, diepte en blootstelling aan lucht en licht, en daarmee in de vogels die er voedsel zoeken. Samen dragen ze de steltlopers, zeevogels en ijsgebonden soorten die in deze gids aan zee zijn gekoppeld.

  • Wad en slik in de getijdenzone Wad en slik in de getijdenzone A1 Daniel's Flats, Nieuw-Brunswick · Taxiarchos228 · CC BY-SA 3.0 84 soorten

    Wad en slik is de intergetijdenzone van blootliggend zand, slib en modder, zonder aaneengesloten bodemgroei — dat onderscheidt de formatie van de rotskust in de getijdenzone (A2), met vast gesteente als ondergrond, en van de droge kust boven de vloedlijn (B1), die niet dagelijks onderloopt. In Noord-Amerika strekken zulke wadden zich uit langs beschutte baaien, zoals Daniel's Flats in Nieuw-Brunswick, waar eb het slik over honderden meters blootlegt. Voor vogels is dit voedselgrond bij uitstek: steltlopers als de bonte strandloper en de drieteenstrandloper zoeken er wormen en schelpdieren, de amerikaanse kluut en beide scholeksters foerageren op zicht, en de witte ibis en de rode lepelaar doorzoeken de modder op ondiep water.

    Naar de soorten · CMECS

  • Rotskust in de getijdenzone Rotskust in de getijdenzone A2 Yaquina Head, Oregon · Gary Halvorson, Oregon State Archives · CC BY 4.0 41 soorten

    Rotskust in de getijdenzone bestaat uit vast gesteente en rotsblokken die tweemaal daags droogvallen en onderlopen — dat onderscheidt de formatie van het zachte substraat van wad en slik (A1) en van het permanent onderwater gelegen kelpwoud (A3), dat pas onder de laagwaterlijn begint. In Noord-Amerika komt deze kust voor langs de Pacifische kust, zoals bij Yaquina Head in Oregon, waar golfslag een gelaagde zone van zeewier vormt. Voor vogels biedt de rots houvast en voedsel: de amerikaanse en de amerikaanse zwarte scholekster wrikken er schelpdieren los, de bandijsvogel duikt vanaf de rand naar vis, en de kuifpapegaaiduiker gebruikt de kust als broedplaats.

    Naar de soorten · USNVC

  • Kelpwoud en ondiepe zeebodem Kelpwoud en ondiepe zeebodem A3 Cojo Anchorage, Californië · Robert Schwemmer, NOAA · Public domain 18 soorten

    Kelpwoud en ondiepe zeebodem is de permanent onderwater gelegen, door licht bereikte bodem waarop grote bruinwieren wortelen — dat maakt de formatie dieper dan de droogvallende rotskust in de getijdenzone (A2), en ondieper en aan een vaste bodem gebonden vergeleken met de open zee (A4), waar geen bodem binnen bereik ligt. In Noord-Amerika vormt Macrocystis pyrifera onderwaterwouden langs de Pacifische kust, zoals bij Cojo Anchorage in Californië, waar de bladeren tot aan het wateroppervlak reiken. Voor vogels die er duiken is dit een productieve laag: de jan-van-gent en de bruine gent duiken van hoogte in de kelprand, terwijl de kuifpapegaaiduiker en de gehoornde papegaaiduiker onder water naar vis jagen.

    Naar de soorten · CMECS

  • Open zee Open zee A4 Aleoeten, Alaska · Hillebrand Steve, U.S. Fish and Wildlife Service · Public domain 117 soorten

    Open zee is de waterkolom ver van de kust, waar geen bodem binnen bereik van licht of duik ligt — dat onderscheidt de formatie van het aan de bodem gebonden kelpwoud (A3) en van zee-ijs (A5), waar een bevroren laag het water afsluit. CMECS scheidt het mariene systeem naar diepte in een nabij-kust-, een offshore- en een oceanische zone, en deze formatie beslaat die laatste. In Noord-Amerika strekt open zee zich uit voorbij het continentaal plat, zoals bij de Aleoeten in Alaska. Vogels hier zijn aan het pelagische bestaan aangepast: de zwartvoetalbatros, het vale en Wilsons stormvogeltje, de middelste jager, de ijsduiker en de hawaiistormvogel doorkruisen het open water op zoek naar voedsel.

    Naar de soorten · CMECS

  • Zee-ijs Zee-ijs A5 Tsjoektsjenzee bij Utqiaġvik, Alaska · USFWSAlaska · Public domain 16 soorten

    Zee-ijs is bevroren zeewater dat als drijvend of vastgevroren pak het wateroppervlak afsluit — dat onderscheidt de formatie van open zee (A4), waar het water vrij toegankelijk blijft, en van gletsjers en landijs, die op vast land liggen en niet uit bevroren zeewater bestaan. In Noord-Amerika beslaat zee-ijs grote delen van de Tsjoektsjenzee en de aangrenzende Arctische wateren, zoals bij Utqiaġvik in Alaska, waar het ijs een groot deel van het jaar de kustlijn omzoomt. De rand van het ijs, waar het pak overgaat in open water, is voor vogels van belang: daar concentreert zich voedsel dat naar de oppervlakte wordt gebracht, wat algemeen soorten aantrekt die op open water en langs ijsranden foerageren, ook al is aan deze formatie geen enkele soort specifiek gekoppeld.

    Naar de soorten

Kust B

De kustgroep beslaat de leefgebieden waar land en zee samenkomen, van de vloedlijn tot de eerste vaste vegetatie landinwaarts. Ze bestaat uit vijf formaties: duinen en zandstranden, zeekliffen en rotskusten, kwelders en zoutmoerassen, mangrove, en estuaria en lagunes. De formaties verschillen sterk in substraat en getijdeninvloed, maar delen de blootstelling aan wind, zout en golfslag. Voor vogels is de kust een smalle maar productieve strook: broedgrond voor koloniebroeders, foerageergebied voor steltlopers en viseters, en een schakel in de trekroute langs het continent.

  • Duinen en zandstranden Duinen en zandstranden B1 Padre Island, Texas · Public domain 85 soorten

    Duinen en zandstranden zijn de onbegroeide tot licht begroeide zandkust boven de gemiddelde vloedlijn, van het kale strand tot de eerste duinvegetatie landinwaarts. Anders dan de kwelder (B3) blijft de bodem zanderig en droog in plaats van kleiig en regelmatig overspoeld, en anders dan de rotskust (B2) ontbreekt vast gesteente; ook de dagelijkse overstroming van het wad ontbreekt hier. Langs de Atlantische kust bouwt helmgras als Ammophila breviligulata voorduinen op barrière-eilanden op, met Uniola paniculata als zuidelijke tegenhanger. Voor vogels is het een broed- en rustplaats: de Amerikaanse scholekster, Drieteenstrandloper, Bonte strandloper en Bruine pelikaan broeden, foerageren of rusten er, terwijl Sneeuwgors en IJsgors overwinteren in de schaarse duinvegetatie.

    Naar de soorten · USNVC

  • Zeekliffen en rotskusten Zeekliffen en rotskusten B2 Cape St. Mary's, Newfoundland · Johnath · CC BY-SA 3.0 87 soorten

    Zeekliffen en rotskusten zijn steile, overwegend kale rotsformaties die rechtstreeks aan branding en zoute wind blootstaan, van de golfslagzone tot de rand van het plateau erboven. Ze onderscheiden zich van het duin (B1) door het ontbreken van los zand en van de kwelder (B3) door het ontbreken van fijn sediment; vegetatie beperkt zich tot mos, korstmos en verspreide lage struiken in rotsspleten. Zulke kliffen komen voor van Alaska tot Oregon aan de Pacifische kust, en op plekken als Cape St. Mary's in Newfoundland aan de Atlantische kant. Voor vogels zijn ze onmisbare kolonieplaatsen: Jan-van-gent, Gehoornde en Kuifpapegaaiduiker, Geoorde aalscholver en Vaal stormvogeltje broeden er in dichte kolonies, terwijl de Slechtvalk de richels als nestplaats gebruikt.

    Naar de soorten · USNVC

  • Kwelders en zoutmoerassen Kwelders en zoutmoerassen B3 East Lyme, Connecticut · Alex756 · CC BY-SA 3.0 84 soorten

    Kwelders en zoutmoerassen zijn begroeide, regelmatig door het getij overspoelde moerassen op fijn, kleiig sediment langs beschutte kusten en estuaria. Ze onderscheiden zich van het duin (B1) door de dagelijkse overstroming en de kleiige in plaats van zanderige bodem, en van de mangrove (B4) door de kruidachtige begroeiing — mangrove vervangt de kwelder zuidelijk van ongeveer centraal Florida. Van de baai van Fundy tot Texas domineert Spartina alterniflora de laagste, dagelijks overstroomde zone, met Spartina patens hogerop. Voor vogels is de kwelder essentieel foerageer- en broedgebied: Amerikaanse kluut, Amerikaanse steltkluut, Bonte strandloper, Grote zilverreiger en Epauletspreeuw zijn er talrijk, en Rode lepelaar en Witte ibis foerageren er tussen de kreken.

    Naar de soorten · USNVC

  • Mangrove Mangrove B4 Buttonwood Canal, Everglades, Florida · Moni3 · Public domain 48 soorten

    Mangrove is het houtige, getijdenafhankelijke bos van zouttolerante bomen dat de kwelder (B3) vervangt in de subtropische en tropische kustzone, vooral in zuidelijk Florida en de Caraïben. Anders dan de kruidachtige kwelder bestaat de begroeiing uit bomen met stelt- of ademwortels; anders dan het estuarium (B5) is het gebied vast bebost in plaats van open water. Rode mangrove Rhizophora mangle vormt met stevige steltwortels de buitenste, meest getijdenblootgestelde rand, met zwarte mangrove Avicennia germinans en witte mangrove Laguncularia racemosa landinwaarts in de minder overspoelde bekkens. Voor vogels vormt het dichte kronendak broedgelegenheid voor kolonievogels: Kaalkopooievaar, Witte ibis, Grote zilverreiger, Rode lepelaar en Bruine pelikaan broeden er, terwijl de Amerikaanse slangenhalsvogel tussen de wortels foerageert.

    Naar de soorten · USNVC

  • Estuaria en lagunes Estuaria en lagunes B5 Copper River Delta, Alaska · Forest Service Alaska Region, USDA · Public domain 169 soorten

    Estuaria en lagunes zijn de halfomsloten, brakke overgangswateren waar rivieren de zee ontmoeten of waar barrière-eilanden een strook kustwater afsluiten — in de CMECS-indeling het estuariene systeem, met een open getijdenverbinding met zee en meetbare zoetwaterinvoer. Ze onderscheiden zich van de open kwelder (B3) door het open water zelf, en van de mangrove (B4) door het ontbreken van vaste houtige oevervegetatie. Voorbeelden lopen van de Chesapeake Bay tot de Copper River Delta in Alaska. Voor vogels zijn deze wateren onder de rijkste van de kust: Amerikaanse witte pelikaan, Visarend, Amerikaanse zeearend, IJsduiker en Geoorde fuut, en tal van andere futen, aalscholvers, meeuwen en jagers foerageren, rusten of overwinteren er in grote aantallen.

    Naar de soorten · CMECS

Binnenwater C

Binnenwater omvat alle zoetwatersystemen op het Noord-Amerikaanse continent, van stilstaand tot stromend water en van de oever tot het kunstmatig aangelegde bekken. De hoofdgroep valt uiteen in vier formaties: meren en poelen, rivieren en beken, de oeverzone eromheen, en aangelegde wateren zoals stuwmeren en irrigatievijvers. Samen vormen ze het leefgebied van viseters, duikvogels, steltlopers en zangvogels die afhankelijk zijn van open water of van de bomen en struiken langs de waterlijn.

  • Meren en poelen Meren en poelen C1 Little Gabro Lake, Minnesota · Dankarl · CC BY-SA 4.0 130 soorten

    Meren en poelen zijn stilstaande watermassa's die het hele jaar onder water blijven, van kleine poel tot uitgestrekt meer. De grens met rivieren en beken (C2) ligt bij de stroming, die hier vrijwel ontbreekt; de oeverzone (C3) begint waar bomen en struiken de waterlijn overnemen; aangelegde wateren (C4) vormen ondanks een vergelijkbaar aanzien een eigen formatie, omdat mensenhanden ze groeven of opstuwden. In Noord-Amerika reikt dit van door gletsjers uitgesleten boreale meren zoals in Minnesota, omzoomd door naaldbos, tot ondiepe meren verder zuidwaarts. Duikers als de IJsduiker, futen als de Dikbekfuut, viseters als de Visarend en de Amerikaanse zeearend, en watervogels als de Wilde eend vinden er open water om te vissen, te duiken of te rusten.

    Naar de soorten · USNVC

  • Rivieren en beken Rivieren en beken C2 Paradise Valley, Montana · Warrenfish · Public domain 68 soorten

    Rivieren en beken zijn stromende wateren en onderscheiden zich zo van de stilstaande meren en poelen (C1); een rivier die is afgedamd tot stuwmeer valt onder aangelegde wateren (C4). De oeverzone (C3) is het land direct langs de oever, terwijl de bedding zelf, met haar stroming en bodem van kiezel of rots, tot deze formatie behoort. In Noord-Amerika loopt dit van snelstromende bergrivieren zoals in Paradise Valley, Montana, tot trage laaglandrivieren. Op rotsen in de snelste stukken groeit soms vastzittende waterplant, een teken van stabiele, heldere stroming. De Amerikaanse waterspreeuw duikt hier naar prooi, de Bandijsvogel jaagt vanaf een tak boven het water, en de Visarend en de Amerikaanse zeearend vissen boven de stroomversnellingen.

    Naar de soorten · USNVC

  • Oeverzone Oeverzone C3 South Fork van de Snake River, Idaho · Bureau of Land Management · Public domain 230 soorten

    De oeverzone is de begroeide strook langs meren (C1) en rivieren (C2), waar wilgen, populieren en ander loofhout de overgang vormen tussen open water en droger terrein. Bij aangelegde wateren (C4) ontbreekt deze strook vaak, omdat het waterpeil er te veel schommelt voor opgaand hout. In het westen van Noord-Amerika vormt de oeverzone, zoals langs de South Fork van de Snake River in Idaho, een smalle band van Populus-bos temidden van een veel drogere omgeving. De schaduw, de insecten en de bessen trekken een brede reeks zangvogels: de Robijnkeelkolibrie, de Rode kardinaal, de Cederpestvogel, de Carolinawinterkoning en de Roodoogvireo broeden of foerageren er, terwijl de Amerikaanse blauwe reiger en de Visarend de nabijheid van water benutten.

    Naar de soorten · USNVC

  • Aangelegde wateren Aangelegde wateren C4 Lake Mead, Nevada · Christian David · CC BY-SA 4.0 81 soorten

    Aangelegde wateren zijn door mensen gegraven of opgestuwde wateren zoals stuwmeren, irrigatie- en veedrinkplassen; het onderscheid met natuurlijke meren en poelen (C1) zit in de herkomst en in het sterk wisselende peil, dat een vaste oeverzone (C3) meestal in de weg staat. Een rivier die is afgedamd (C2) valt vanaf de stuwwand onder deze formatie. In Noord-Amerika is Lake Mead in Nevada, opgestuwd door de Hoover Dam, een uiterste vorm: een reusachtig waterlichaam met kale, door peilwisseling blootgelegde oevers, midden in een droge woestijn. Zulke wateren trekken steltlopers en watervogels: de Amerikaanse kluut en de Amerikaanse steltkluut foerageren langs de blootgelegde oevers, terwijl de Amerikaanse witte pelikaan, de Geoorde fuut en de Visarend het open water gebruiken om te vissen.

    Naar de soorten · USNVC

Venen en moerassen D

Hoofdgroep D omvat de zoetwatergebieden van Noord-Amerika waar de bodem het hele jaar of een groot deel ervan verzadigd is: van zure veenmoerassen tot open rietmoeras, natte graslanden en overstroomd bos. De groep is onderverdeeld in veen en muskeg, zoetwatermoeras en riet, natte weide en zeggemoeras, en moerasbos, elk met een eigen waterregime, bodemchemie en opgaande vegetatie. Voor vogels bieden deze leefgebieden broedgelegenheid in dichte begroeiing, foerageerplekken in ondiep water en, in veen en moerasbos, schuilgelegenheid die open water en grasland missen.

  • Veen en muskeg Veen en muskeg D1 Kupreanof Island, Alaska · Stepheng3 · CC BY-SA 3.0 58 soorten

    Veen en muskeg is een zure, met Sphagnum bedekte moerasbodem: voedselarmer dan het zoetwatermoeras (D2), boomloos of met slechts verkommerde exemplaren tegenover het geslotener boreale naaldbos (G2), en zonder het vrije water van meren en poelen (C1). In Noord-Amerika reikt dit type van Alaska tot de Grote Meren, met de meeste en uitgestrekste vensystemen in zuidoost-Alaska, zoals op Kupreanof Island: bulten en laagtes met Sphagnum, veenbes en lavendelheide, en verspreid een verkommerde zwarte spar. Trekvogels als de Kleine jager en de Middelste jager passeren deze kustvenen op weg naar hun arctische broedgebieden; in Alaska is hier ook de Bosgors als dwaalgast waargenomen.

    Naar de soorten · USNVC

  • Zoetwatermoeras en riet Zoetwatermoeras en riet D2 Horicon Marsh, Wisconsin · U.S. Fish and Wildlife Service - Midwest Region · Public domain 127 soorten

    Het zoetwatermoeras is een ondiep, voedselrijk wetland met opgaande rietvegetatie, minder zuur dan het veen (D1), en met langdurig aanhoudend water tegenover de kortstondiger verzadigde natte weide (D3); tegenover open meren (C1) bepaalt dichte stengelvegetatie het beeld, niet vrij wateroppervlak. In Noord-Amerika strekt dit type zich uit van de Grote Meren tot de prairiekommen van de noordelijke Great Plains, met Horicon Marsh in Wisconsin als bekend voorbeeld: velden lisdodde en biesachtigen in water van enkele centimeters tot ongeveer een meter diep. Voor vogels is het kraamkamer en foerageerplaats voor reigers als de Grote zilverreiger, eenden als de Wilde eend, moerasvogels als de Amerikaanse meerkoet en de Canadese kraanvogel, en zangvogels als de Epauletspreeuw.

    Naar de soorten · USNVC

  • Natte weide en zeggemoeras Natte weide en zeggemoeras D3 Lake Noquebay, Wisconsin · wackybadger · CC BY-SA 2.0 103 soorten

    Natte weide en zeggemoeras is korter en ondieper verzadigd dan het zoetwatermoeras (D2), met een lage begroeiing van zeggen en grassen in plaats van hoog opgaand riet, en vochtiger dan de drogere hooggrasprairie (E1) en het beheerde weiland (I4) waarmee het overloopt. In Noord-Amerika ligt dit type vooral in het overgangsgebied tussen de Grote Meren en de boreale zone, zoals bij Lake Noquebay in Wisconsin: pollen van Carex-zeggen en natte-prairiegrassen op bodems die 's voorjaars overstromen en 's zomers slechts vochtig blijven. Ganzen als de Grote Canadese gans en de Kleine Canadese gans grazen en broeden er, de Epauletspreeuw broedt in de lage begroeiing, en de IJsgors bezoekt zulke open, vochtige vlakten tijdens de trek.

    Naar de soorten · USNVC

  • Moerasbos Moerasbos D4 Zuid-Louisiana · Jan Kronsell · CC BY-SA 3.0 57 soorten

    Moerasbos is een gesloten bos op permanent tot langdurig overstroomde bodem, en onderscheidt zich zo van het open zoetwatermoeras (D2) zonder boomlaag en van het droge loofbos (G1) dat niet overstroomt; tegenover de smalle oeverzone langs rivieren (C3) vormt het moerasbos een uitgestrekt, aaneengesloten bostype. In Noord-Amerika is het kenmerkend voor de zuidelijke kustvlakte, zoals in Zuid-Louisiana: moerascipres (Taxodium distichum) met kniewortels en watertupelo staan er in permanent water, behangen met Spaans mos. Voor vogels biedt dit type nestgelegenheid hoog in de boomkronen en foerageergebied in het ondergelopen bos, met soorten als de Amerikaanse slangenhalsvogel, de Kaalkopooievaar en de Carolinawinterkoning.

    Naar de soorten · USNVC

Graslanden E

Hoofdgroep Grasland omvat de open, door grassen gedomineerde landschappen van Noord-Amerika, met bomen die ontbreken of slechts verspreid voorkomen. Binnen de USNVC valt de groep grotendeels onder de Formatie Gematigd Grasland en Struweel. Vier formaties zijn onderscheiden: hooggrasprairie, kortgrasprairie en steppe, alpiene weide en savanne met open eikenland — een reeks die loopt van vochtige, hoge prairie via droge steppe naar boomloze bergtoendra en halfopen eikenbos. Voor vogels bieden deze vlakten broedgelegenheid op de grond, vrij zicht op roofdieren en een rijk aanbod aan zaden en insecten.

  • Hooggrasprairie Hooggrasprairie E1 Flint Hills, Kansas · Public domain 35 soorten

    Hooggrasprairie is het vochtigste type binnen de grasformaties: hoge, dichte C4-grassen op diepe bodems, zonder de verspreide eiken van savanne (E4). Naar het westen, waar de bodem droger en ondieper wordt, gaat de vegetatie geleidelijk over in de lagere, opener kortgrasprairie (E2). In Noord-Amerika liep de hooggrasprairie ooit van zuidelijk Manitoba tot de Golfkust van Texas; belangrijke resten liggen in de Flint Hills van Kansas. Grassen als Andropogon gerardii en Sorghastrum nutans reiken in de nazomer tot ruim twee meter, met minder dan tien procent boombedekking. De dichte begroeiing biedt dekking voor de Virginiaanse boomkwartel, terwijl de Amerikaanse nachtzwaluw er boven het grasdek jaagt en de Bruinkopkoevogel profiteert van de open, door grazers beïnvloede randen.

    Naar de soorten · USNVC

  • Kortgrasprairie en steppe Kortgrasprairie en steppe E2 Dawes County, Nebraska · Z3lvs · CC0 94 soorten

    Kortgrasprairie en steppe is het droogste grasland van Noord-Amerika: korte, harde grassen op ondiepe bodem, ontstaan waar te weinig neerslag valt voor de hoge grassen van hooggrasprairie (E1) en te weinig reliëf voor de alpiene weide (E3). Het strekt zich uit over de westelijke Great Plains, van zuidoostelijk Alberta tot Nebraska en Wyoming; het dossier verankert het bij Dawes County, Nebraska. Grassen als Bouteloua gracilis en Hesperostipa comata vormen een spaarzame, zelden meer dan enkele decimeters hoge zode, doorspekt met struikjes. De weidse, open vlakte trekt grondbroeders als de Strandleeuwerik en de Killdeerplevier, jagende Roodstaartbuizerds, en in de winter noordelijke gasten als de Sneeuwgors en de Sneeuwuil.

    Naar de soorten · USNVC

  • Alpiene weide Alpiene weide E3 Flat Tops, Colorado · Lvaughn7 · CC BY-SA 4.0 24 soorten

    Alpiene weide is de boomloze vegetatie boven de boomgrens: lage, kussenvormige planten en korte grasachtigen op rotsige, door vorst bewerkte bodem, waar de omstandigheden te bar zijn voor het naaldbos of struweel eronder. In Noord-Amerika ligt deze zone in de Rocky Mountains, van New Mexico tot Alberta, met een fotolocatie in de Flat Tops van Colorado; ook de hooggelegen vulkaanflanken van Hawaï vallen in de gids onder dit type. Planten als Geum rossii en Silene acaulis vormen een fijnmazig mozaïek van dichte zode en kale grond. De open, winderige hoogte trekt de Pacifische waterpieper als broedvogel; de Tapuit en de Rosse kolibrie zoeken er voedsel, en de Hawaiistormvogel en de Hawaiigans gebruiken de vulkanische variant van dit leefgebied.

    Naar de soorten · USNVC

  • Savanne en open eikenland Savanne en open eikenland E4 Mount Diablo, Californië · Awinch1001 · CC BY 4.0 136 soorten

    Savanne en open eikenland is de halfopen boomvegetatie tussen grasland en gesloten bos: verspreide, breed uitgroeiende eiken boven een grasmat, met een boombedekking die door regelmatige lichte branden laag blijft. De grens met hooggrasprairie (E1) ligt bij het verschijnen van de eerste bomen, terwijl een dichtere kroonsluiting geleidelijk overgaat in gesloten eikenbos. In Noord-Amerika komt dit type voor van Californië — het dossier verankert het bij Mount Diablo — tot de oostelijke staten, met soorten als Quercus douglasii en Quercus lobata als kenmerkende, laag vertakte bomen van vijf tot vijftien meter hoog. De open structuur trekt de Wilde kalkoen en de Virginiaanse boomkwartel als bodemfoerageerders, de Roodstaartbuizerd als jager vanaf de boomtoppen, en boomholtebroeders als de Goudspecht en de Witborstboomklever.

    Naar de soorten · USNVC

Struweel en toendra F

Deze hoofdgroep verzamelt laagblijvende, houtige tot half-houtige vegetatie die door kou, droogte of herhaalde verstoring niet uitgroeit tot gesloten bos. Ze omvat de boomloze arctische toendra, de droogteminnende chaparral en de sagebrush-steppe van het westen, het krummholz en dwergstruweel boven de boomgrens, en de struwelen en bosranden van het oosten. Voor vogels biedt deze lage, vaak besrijke begroeiing dekking en voedsel dicht bij de grond en trekt ze grondbroeders, struweelvogels en soorten van open, kale grond aan.

  • Arctische toendra Arctische toendra F1 Galbraith Lake, Brooks Range, Alaska · USFWSAlaska · Public domain 103 soorten

    Arctische toendra is de boomloze vegetatie noord en boven de boomgrens, op permanent bevroren bodem. De grens met het krummholz en dwergstruweel (F4) ligt bij de boomgrens zelf, waar dwergbomen verdwijnen tot een dek van dwergstruiken, zeggen en mossen; zuidelijker gaat de toendra over in gesloten naaldbos. In Noord-Amerika strekt ze zich uit over noordelijk Alaska en de Brooks Range, met lage wilgen, dryas, veenpluispollen en korstmossen boven een kort groeiseizoen op permafrost. De open, vlakke vegetatie herbergt grondbroedende steltlopers als Bonte strandloper en Drieteenstrandloper, jagers als Kleine jager en Middelste jager, Sneeuwuil, Sneeuwgors, IJsgors, Strandleeuwerik en Tapuit.

    Naar de soorten · USNVC

  • Chaparral Chaparral F2 Santa Monica Mountains, Californië · Artemizzia · CC BY 4.0 39 soorten

    Chaparral is de dichte, altijdgroene struikvegetatie van Californiës mediterrane klimaat, met harde, kleine bladeren. De grens met de sagebrush-steppe (F3) ligt in klimaat en soortensamenstelling: chaparral groeit in de vochtigere kuststrook en lage bergen, sagebrush-steppe in het koude, droge binnenland met Artemisia. Waar de struiken hoger worden en aaneensluiten, gaat chaparral over in eikenbos. In Noord-Amerika bedekt chaparral de hellingen van de Santa Monica Mountains en vergelijkbare Californische bergketens tot zo'n 2000 meter, met dichte, moeilijk doordringbare begroeiing van onder meer Adenostoma fasciculatum, Ceanothus en manzanita, aangepast aan periodieke branden. De struiken bieden dekking aan Grote renkoekoek, Struikmees, Winterkoningmees en Zwarte zijdevliegenvanger.

    Naar de soorten · USNVC

  • Sagebrush-steppe Sagebrush-steppe F3 bij Jordan, Montana · Matt Lavin · CC BY-SA 2.0 38 soorten

    Sagebrush-steppe is de koude, droge struiksteppe van het binnenland, gedomineerd door Artemisia-soorten als grote bijvoet. Ze onderscheidt zich van de chaparral (F2) door het kille, droge binnenlandklimaat in plaats van het vochtige mediterrane kustklimaat, en van het krummholz en dwergstruweel (F4) doordat ze op lagere, warmere hoogte ligt, onder de subalpiene gordel. In Noord-Amerika beslaat ze uitgestrekte, open vlaktes van het Great Basin tot de noordelijke Great Plains, zoals bij Jordan in Montana, met een ijle, grijsgroene struiklaag van kniehoge bijvoetstruiken op een schrale ondergrond. Deze open, laagblijvende begroeiing biedt weinig dekking en trekt vooral vogels aan die op kale, dorre grond en verspreide struiken zijn aangewezen.

    Naar de soorten · USNVC

  • Krummholz en dwergstruweel Krummholz en dwergstruweel F4 Mount Washington, New Hampshire · Famartin · CC BY-SA 4.0 36 soorten

    Krummholz en dwergstruweel is de verwrongen, windgeschoren begroeiing net boven de boomgrens van hoge bergen: dwergvormen van sparren en dennen, vermengd met een heideachtige laag van dwergstruiken. Onder deze gordel staat gesloten subalpien naaldbos, erboven dunt de begroeiing uit tot kaal, rotsig alpien fjeld zonder houtige dekking. Anders dan de arctische toendra (F1), die op zeeniveau in het hoge noorden ligt, ontstaat deze formatie door hoogte, niet door breedtegraad. In Noord-Amerika komt ze voor op toppen als Mount Washington in New Hampshire en in bergketens van Alaska tot de Rocky Mountains, met sparren en dennen die door wind en ijzel tot struikvorm worden teruggesnoeid. De verspreide, beschutte groepjes bomen en struiken herbergen Bergheggenmus, Noordelijke klapekster, Noordse boszanger en Tapuit.

    Naar de soorten · USNVC

  • Struweel en bosrand Struweel en bosrand F5 Cape Cod, Massachusetts · U. S. Fish and Wildlife Service - Northeast Region · Public domain 363 soorten

    Struweel en bosrand omvat de dichte, meest laagblijvende begroeiing van struiken, jonge bomen en klimplanten langs bosranden, hagen en heraangroeiende open plekken. Anders dan de klimaatgebonden formaties chaparral (F2), sagebrush-steppe (F3) en krummholz (F4) is dit een structureel, vaak tijdelijk stadium: sluit het kronendak, dan ontstaat gesloten bos; verdwijnt de struiklaag, dan resten open grasland of akker. In Noord-Amerika strekt de formatie zich uit van kuststruweel op Cape Cod, Massachusetts — belangrijk habitat voor het New England-konijn — tot vergelijkbare struiken en bosranden dwars over het continent en op Hawaï. De dichte, besrijke struiklaag biedt dekking en voedsel aan onder meer Rode kardinaal, Zanggors, Spotlijster, Cederpestvogel, Treurduif, Blauwe gaai, Bonte zanger en Roodoogvireo.

    Naar de soorten · USNVC

Bos G

Hoofdgroep Bos omvat de gesloten en halfopen boomvegetaties van Noord-Amerika, gebaseerd op de USNVC-klasse Forest & Woodland. De vijf formaties volgen een gradiënt van vocht en breedtegraad: Loofbos in het oosten, Boreaal naaldbos in het hoge noorden, Naaldbos van bergen en westkust langs de Pacifische bergketens, Pinyon-jeneverbes en droog dennenbos in de droge binnenlanden, en Subtropisch en tropisch bos in het uiterste zuiden. Samen dragen deze bossen het dichtste bladerdak van het continent en de rijkste gemeenschap van holenbroeders, boomklevers, spechten en canopyzangvogels.

  • Loofbos Loofbos G1 Rock Creek Park, Washington D.C. · Katja Schulz · CC BY 2.0 159 soorten

    Loofbos omvat de bladverliezende bossen van het oostelijke en centrale continent, met een bladerdak dat in de herfst kleurt en kaal wordt. Naar het noorden gaat het over in Boreaal naaldbos, waar spar en balsemden esdoorn en beuk vervangen; naar het westen in het drogere Pinyon-jeneverbes en droog dennenbos, en op natte grond in Moerasbos, terwijl een smalle randzone Struweel en bosrand heet. Suikeresdoorn, Amerikaanse beuk (Fagus grandifolia) en linde vormen de kern, zoals bij Rock Creek Park nabij Washington D.C., op voedselrijke, door gletsjers gevormde bodem. Het bladerdak herbergt boomklimmers als de Witborstboomklever en de Amerikaanse boomkruiper, zangvogels als de Roodoogvireo en de Bonte zanger, en holenbroeders als de Amerikaanse matkop.

    Naar de soorten · USNVC

  • Boreaal naaldbos Boreaal naaldbos G2 Quebec, Canada · peupleloup · CC BY-SA 2.0 116 soorten

    Boreaal naaldbos is het overwegend altijdgroene naaldbos van het hoge noorden, met spar, balsemden en berk. Naar het noorden dunt het uit tot de spreidbomen van Arctische toendra; naar het zuiden neemt Loofbos het over. Natte laagten binnen dit bos heten apart Veen en muskeg, en op de bergkam gaat het over in het door wind gevormde Krummholz en dwergstruweel. Gefotografeerd in Quebec, waar zwarte spar en jack pine de boreale taiga vormen die zich tot Alaska uitstrekt, met een kruidlaagje van mossen, korstmossen en bosbes op zure, voedselarme bodem. Deze naaldwouden trekken de Canadese boomklever, de Amerikaanse boomkruiper en de Amerikaanse goudhaan aan, in open plekken de Noordelijke klapekster, en als onregelmatige wintergasten de Bergheggenmus en de Bosgors.

    Naar de soorten · USNVC

  • Naaldbos van bergen en westkust Naaldbos van bergen en westkust G3 Olympic National Park, Washington · Miguel.v · Public domain 127 soorten

    Naaldbos van bergen en westkust omvat de coniferenbossen van de Rocky Mountains en de Pacifische kust, van laaglandregenwoud tot hooggebergtebos. Het onderscheidt zich van het vlakke Boreaal naaldbos door reliëf en, aan de kust, door veel hogere neerslag; bergopwaarts volgt Krummholz en dwergstruweel en, nog hoger, Alpiene weide, terwijl aan de drogere oostflank Pinyon-jeneverbes en droog dennenbos het overneemt. Gefotografeerd bij Olympic National Park, Washington, waar reuzenhoge douglasspar, western hemlock en sitkaspar op een met mos en varens bedekte bodem groeien, in een van de natste klimaten van het continent. Deze bossen herbergen de Witborstboomklever, de Canadese boomklever, de Amerikaanse goudhaan en het Roodkroonhaantje, aan de westkust de Rosse kolibrie, terwijl de Amerikaanse zeearend er langs rivieren en kust broedt.

    Naar de soorten · USNVC

  • Pinyon-jeneverbes en droog dennenbos Pinyon-jeneverbes en droog dennenbos G4 Elko County, Nevada · Famartin · CC BY-SA 3.0 124 soorten

    Pinyon-jeneverbes en droog dennenbos is het open, laagblijvende naaldbos van de droge bergketens tussen de Rocky Mountains en de Sierra Nevada. Lager op de helling volgt de struikvegetatie van Sagebrush-steppe, en op de allerdroogste plekken Woestijn en halfwoestijn; hoger op de berg neemt het vochtigere Naaldbos van bergen en westkust het over zodra de pines door douglasspar worden vervangen. Gefotografeerd in Elko County, Nevada, waar eenzaadpijnboom (Pinus monophylla) en Utah-jeneverbes een open kronendak van hooguit tien meter vormen op rotsige bodem tussen 1500 en 2600 meter hoogte. Dit droge bos herbergt de Struikmees en de Zwarte zijdevliegenvanger als karakteristieke bewoners, boomklimmers als de Witborstboomklever, en zangvogels als de Blauwgrijze muggenvanger en de Blauwe gaai.

    Naar de soorten · USNVC

  • Subtropisch en tropisch bos Subtropisch en tropisch bos G5 Fakahatchee Strand, Florida · Miguel Vieira · CC BY 2.0 171 soorten

    Subtropisch en tropisch bos omvat de vorstvrije bossen van het uiterste zuiden: tropische hardhouthamaks op kalksteenruggen en door cipres gedomineerde strand- en koepelmoerasbossen van Zuid-Florida en Hawaï. De grens met Moerasbos ligt bij de overgang naar open zoetwatermoeras; aan de kust volgt Mangrove, en waar het bos opener wordt Savanne en open eikenland. Gefotografeerd in Fakahatchee Strand, Florida, waar moerascipres (Taxodium distichum) in stroken groeit, omzoomd door hardhoutbomen als gomboom en West-Indische mahonie op hoger gelegen ruggen, met orchideeën en bromelia's in het schaduwrijke kronendak. Op het vasteland is de Bruine chachalaca kenmerkend, samen met de Koperstaarttrogon; op Hawaï herbergt dezelfde formatie een geheel andere gemeenschap, van de Roodkuifkardinaal tot de bedreigde Iiwi en Hawaii-amakihi.

    Naar de soorten · USNVC

Woestijn en kaal land H

Deze hoofdgroep omvat de kaalste en droogste landschappen van Noord-Amerika: plekken waar water, vorst of zout een gesloten plantendek onmogelijk maken. Ze valt uiteen in vier formaties: woestijn en halfwoestijn (H1), met verspreide struiken en cactussen; rots, klif en steenpuin (H2), van canyonwand tot zeeklif; poolwoestijn en gletsjervoorland (H3), de kale grond die achterblijft na vorst en ijs; en zand- en alkalivlakten (H4), de droge bodems van voormalige meren. Vogels die hier broeden of foerageren zijn aangepast aan hitte, kou of het ontbreken van dekking.

  • Woestijn en halfwoestijn Woestijn en halfwoestijn H1 Saguaro National Park, Arizona · dconvertini · CC BY-SA 2.0 95 soorten

    Woestijn en halfwoestijn is de vegetatie van warme, droge laaglanden: open struiken, cactussen en droogteminnende grassen op stabiele grind- en zandbodems, anders dan de kale rotsbodem van rots, klif en steenpuin (H2) en de vrijwel onbegroeide zand- en alkalivlakten (H4). In Noord-Amerika loopt de formatie van de Mojave- en Sonorawoestijn tot de Chihuahuawoestijn, met Larrea tridentata en Fouquieria splendens als kenmerkende struiken en, rond Saguaro National Park in Arizona, de zuilcactus als beeldbepalende soort; de jaarlijkse neerslag blijft doorgaans onder de 250 mm. Grote renkoekoek, Zwarte zijdevliegenvanger en Zwartstaartmuggenvanger broeden in het struweel, terwijl Goudmees en Grijze kardinaal er foerageren.

    Naar de soorten · USNVC

  • Rots, klif en steenpuin Rots, klif en steenpuin H2 Colorado National Monument, Colorado · G. Edward Johnson · CC BY-SA 3.0 77 soorten

    Rots, klif en steenpuin omvat vegetatiearme rotswanden, richels en puinhellingen waar nauwelijks bodem ligt — anders dan de struiken en cactussen op stabiele grond in woestijn en halfwoestijn (H1) en de kale, vlakke bodems van zand- en alkalivlakten (H4); begroeiing beperkt zich hier tot korstmossen, kussenplanten en incidentele rotsspleetplanten. In Noord-Amerika strekt de formatie zich uit van canyonwanden op het Colorado Plateau, zoals bij Colorado National Monument, tot kustkliffen aan de Stille Oceaan. Slechtvalk en Amerikaanse waterspreeuw broeden op richels boven ravijnen en Tapuit tussen het steenpuin, terwijl kustkliffen kolonies van Gehoornde papegaaiduiker en stormvogeltjes dragen.

    Naar de soorten · USNVC

  • Poolwoestijn en gletsjervoorland Poolwoestijn en gletsjervoorland H3 Kennicottgletsjer, Alaska · National Park Service, Alaska Region · Public domain 11 soorten

    Poolwoestijn en gletsjervoorland omvat de kaalste grond van het hoge noorden: rotsblokken, steenpuin en vers gletsjerpuin met minder dan tien procent plantendek, waar mos en korstmos overheersen en vaatplanten zich beperken tot pioniers als Draba- en Saxifraga-soorten. Dit onderscheidt de formatie van het minder extreme rots, klif en steenpuin (H2) verderop naar het zuiden. In Noord-Amerika ligt ze verspreid van Alaska tot in het noorden van Canada, op plekken die door vorst of, zoals bij de Kennicottgletsjer in Alaska, door recent terugtrekkend ijs zijn blootgelegd. Drieteenstrandloper foerageert er op doortrek, Sneeuwuil broedt op de kale grond en Tapuit nestelt tussen het puin.

    Naar de soorten · USNVC

  • Zand- en alkalivlakten Zand- en alkalivlakten H4 White Sands National Park, New Mexico · dconvertini · CC BY-SA 2.0 15 soorten

    Zand- en alkalivlakten omvat de vlakke, vaak kale bodems van voormalige meren en droge speelmeren: fijn sediment met een zout- of gipskorst, soms met een ijle rand van zoutminnende grassen als Distichlis spicata, in tegenstelling tot de struiken van woestijn en halfwoestijn (H1) en de rotsige, hellende ondergrond van rots, klif en steenpuin (H2). In Noord-Amerika vormen zulke vlakten de bodem van drooggevallen bekkens in het Great Basin en, zoals bij White Sands National Park in New Mexico, uitgestrekte gipszand- en alkalivlakten. Amerikaanse kluut en Amerikaanse steltkluut foerageren op de vochtige rand na regen, terwijl Strandleeuwerik broedt op de kale, open bodem zelf.

    Naar de soorten · USNVC

Akkers en tuinen I

Hoofdgroep I omvat in deze gids akkers, tuinen en andere door de mens beheerde begroeiing buiten de bebouwde kom: grond die regelmatig wordt geploegd, gemaaid, bemest of anderszins in stand gehouden voor landbouw of sier. De groep valt uiteen in vier formaties: akkerland (I1), tuinen en parken (I2), boomgaard en wijngaard (I3), en weiland en veeteelt (I4). Voor vogels vormen deze terreinen vaak voedselrijke, open tot halfopen plekken die sterk verschillen van de oorspronkelijke natuurlijke begroeiing, met soorten die juist profiteren van die verstoring en dat beheer.

  • Akkerland Akkerland I1 Noordwest-Iowa · inkknife_2000 · CC BY-SA 2.0 162 soorten

    Akkerland omvat grond die regelmatig wordt geploegd en ingezaaid met eenjarige gewassen: graan, maïs, soja en andere rijgewassen. Het onderscheidt zich van tuinen en parken (I2) door de schaal en het ontbreken van sierbeplanting, van boomgaard en wijngaard (I3) door het ontbreken van meerjarige houtige gewassen, en van weiland en veeteelt (I4) doordat de grond jaarlijks wordt omgeploegd in plaats van begraasd. In Noord-Amerika strekken de grootste akkers zich uit over de Corn Belt van het Midwesten en de tarwevelden van de Great Plains, met grote, vlakke, aaneengesloten percelen zonder houtopstand. Zulke open vlaktes trekken grondbroeders en wintergasten van open terrein aan, zoals Strandleeuwerik, Sneeuwgors, IJsgors, Killdeerplevier, Kalkoengier en Wilde kalkoen.

    Naar de soorten · USNVC

  • Tuinen en parken Tuinen en parken I2 Central Park, New York · Ed Yourdon · CC BY-SA 2.0 237 soorten

    Tuinen en parken omvat beheerde siergroen binnen en rond de bebouwde kom: particuliere tuinen, plantsoenen, stadsparken, kerkhoven en golfbanen, met gazon, bloemperken en aangeplante bomen. Het verschilt van akkerland (I1) doordat er geen landbouwgewassen worden geoogst en de percelen veel kleiner en gevarieerder zijn, en van boomgaard en wijngaard (I3) doordat de bomen en struiken sierdoeleinden dienen en niet in rijen voor de fruit- of druivenoogst staan. Kenmerkend voor Noord-Amerika zijn grote stadsparken met volwassen loofbomen te midden van hoogbouw, zoals Central Park in New York, naast de talloze kleinere voortuinen van de voorsteden. Zulke groene eilanden midden in verstedelijkt gebied trekken een brede reeks vogels aan, van Rode kardinaal en Blauwe gaai tot Huismus, Spotlijster, Goudspecht en Robijnkeelkolibrie.

    Naar de soorten · USNVC

  • Boomgaard en wijngaard Boomgaard en wijngaard I3 Napa Valley, Californië · Brocken Inaglory · CC BY-SA 3.0 55 soorten

    Boomgaard en wijngaard omvat percelen met meerjarige houtige cultuurgewassen die in rijen zijn aangeplant: fruit- en notenbomen en wijnstokken. Dat onderscheidt de formatie van akkerland (I1), waar eenjarige gewassen jaarlijks opnieuw worden ingezaaid, en van tuinen en parken (I2), waar de beplanting sierdoeleinden dient in plaats van een oogst. Ook wijkt de formatie af van weiland en veeteelt (I4), dat open grasland zonder gewasrijen is. In Noord-Amerika komt de formatie geconcentreerd voor in gebieden met een mild klimaat: appelboomgaarden in de staat Washington, citrusgaarden in Florida, en de wijngaarden van Napa Valley in Californië met hun laag gesnoeide stokken op rijen. De lage, dichte rijen bieden dekking en zitplaatsen aan onder meer Cederpestvogel, Halsbandparkiet, Bruine chachalaca en Huiswinterkoning.

    Naar de soorten

  • Weiland en veeteelt Weiland en veeteelt I4 Oost-Oregon · Garytmarsh · CC BY-SA 4.0 139 soorten

    Weiland en veeteelt omvat grasland dat in stand wordt gehouden door begrazing met vee of door jaarlijks te worden gemaaid voor hooi. Anders dan bij akkerland (I1) blijft de graszode hier intact en wordt de grond niet omgeploegd, en anders dan bij boomgaard en wijngaard (I3) ontbreken gewasrijen en houtige beplanting volledig. In Noord-Amerika strekt de formatie zich uit van de uitgestrekte veeranches op de shortgrass prairie en de droge rangelands van het Westen, zoals in Oost-Oregon, tot de kleinschaliger hooiweiden van het Midwesten en het Oosten. Het resultaat is een open, kortgrazig landschap dat sterk lijkt op natuurlijk grasland maar intensiever wordt beheerd. Zulke weiden trekken roofvogels als Roodstaartbuizerd en Kalkoengier aan, evenals grondbewoners als Grote renkoekoek, Killdeerplevier en Virginiaanse boomkwartel.

    Naar de soorten · USNVC

Bebouwd en industrieel J

Hoofdgroep J omvat de leefgebieden die vrijwel geheel door menselijk gebruik zijn bepaald: bebouwing, infrastructuur en industrie in plaats van natuurlijke bodem en begroeiing. De groep bestaat uit vier formaties: stad en dorp (J1), haven en industrie (J2), groeve en mijnbouw (J3), en vuilstort en afvalwater (J4) — van bewoond en begroeid tot kaal en verhard. Voor vogels betekent dit vooral een verschuiving: soorten die van nature op rotsen, kliffen of open grond broeden en foerageren, vinden hier een kunstmatig equivalent, vaak met volop voedsel van menselijke oorsprong.

  • Stad en dorp Stad en dorp J1 Layton, Utah · Pink Sherbet Photography · CC BY 2.0 103 soorten

    Stad en dorp is het bewoonde, begroeide deel van hoofdgroep J: woonwijken, dorpskernen en stadscentra met tuinen, gazons, parken en straatbomen. Het verschilt van haven en industrie (J2) door de afwezigheid van grootschalige bedrijfsterreinen, en van groeve en mijnbouw (J3) door de begroeide, niet-uitgegraven bodem. In Noord-Amerika loopt de formatie van laagbouwwijken met rechte straten, zoals rond Layton, Utah, tot dichtbebouwde binnensteden. Gebouwen bieden kunstmatige nestplaatsen — dakranden als klifrichel, schoorstenen als holle boom — terwijl tuinen en parken voedsel bieden aan onder meer huismus, spreeuw, roodborstlijster, spotlijster en schoorsteengierzwaluw, en aan ingevoerde soorten als halsbandparkiet.

    Naar de soorten · USNVC

  • Haven en industrie Haven en industrie J2 Haven van Anchorage, Alaska · Wonderlane · CC BY 2.0 29 soorten

    Haven en industrie omvat de bedrijfsmatige, grotendeels onbegroeide terreinen van hoofdgroep J: havens, kades, opslagterreinen, raffinaderijen en fabrieksterreinen. Waar J1 nog tuinen kent, overheerst hier verharding en kunstmatig substraat — kademuren en steenbestorting in plaats van natuurlijke rots of wad (vergelijk hoofdgroep A). Tegenover groeve en mijnbouw (J3) draait het hier om opslag en verwerking, niet om winning. In Noord-Amerika reikt de formatie van havensteden als Anchorage, Alaska tot binnenlandse pakhuisdistricten. De harde structuren dienen als kunstmatige klif voor bruine pelikaan, bruine gent, Amerikaanse fregatvogel en grote mantelmeeuw, terwijl killdeerplevier het kale terrein gebruikt en huismus de gebouwen.

    Naar de soorten · CMECS

  • Groeve en mijnbouw Groeve en mijnbouw J3 Idaho Springs, Colorado · Rsparks3 · CC BY-SA 4.0 6 soorten

    Groeve en mijnbouw is het winningsdeel van hoofdgroep J: open groeves, grindgaten, dagbouwmijnen en hun steilwanden. Anders dan haven en industrie (J2), waar materiaal wordt verwerkt, wordt hier materiaal uit de grond gehaald; anders dan stad en dorp (J1) ontbreekt begroeiing grotendeels en ligt de bodem open. De kunstmatige wanden lijken op natuurlijke klifformaties, maar zijn vers en onbegroeid. In Noord-Amerika strekt de formatie zich uit van grindgroeves tot voormalige mijnbouwdistricten zoals Idaho Springs, Colorado, met steile, kale wanden en soms watergevulde putten. Aan deze formatie zijn in de gids geen soorten gekoppeld: kale grond en steilwanden trekken vooral vogels die open terrein en rotsachtige nestgelegenheid opzoeken, en eventuele plassen bieden tijdelijk water aan doortrekkers.

    Naar de soorten

  • Vuilstort en afvalwater Vuilstort en afvalwater J4 Brookhaven, Long Island, New York · CzarJobKhaya · CC BY 4.0 17 soorten

    Vuilstort en afvalwater is het afvaldeel van hoofdgroep J: stortplaatsen voor huisvuil en de bassins van rioolwaterzuiveringen. Het verschilt van groeve en mijnbouw (J3), waar materiaal juist wordt gewonnen, en van haven en industrie (J2) door de nadruk op afvalverwerking in plaats van productie; van natuurlijke moerassen onderscheiden de bezinkbekkens zich door hun rechte, aangelegde vorm. In Noord-Amerika vormen actieve stortplaatsen zoals die bij Brookhaven, Long Island, open afvalvelden waarboven vogels cirkelen, terwijl zuiveringsbassins elders open water bieden waar geen natuurlijke plas ligt. Deze formatie trekt vooral grote mantelmeeuw en ringsnavelmeeuw aan, die er op afval foerageren, en spreeuw, die er in grote groepen voedsel zoekt.

    Naar de soorten