Alle soorten › Papegaaiachtigen
Papegaaiachtigen | Psittaciformes
Parrots | Loros y cotorras
Wereldwijd omvat deze orde ook de kaketoes en een tweede papegaaienfamilie uit Afrika, Azië en Australië. Kenmerkend voor de hele orde is de korte, sterk gekromde snavel, waarvan de bovenkaak beweeglijk met de schedel verbonden is en die dienstdoet als klem én als klimhaak; aan de basis ligt een onbevederde washuid. De poten zijn zygodactyl, met twee tenen naar voren en twee naar achteren, en worden ook gebruikt om voedsel naar de snavel te brengen. Verder vallen het grote hoofd op een korte hals, de dikke, spierkrachtige tong en het overwegend groene verenkleed op. De vlucht is snel en recht, met ondiepe slagen. Het zijn langlevende vogels die in vaste paren binnen een luidruchtige troep leven.
Families in deze orde
- Papegaaien | Psittacidae9 soortenVoedsel wordt zittend bewerkt: één poot houdt een zaad of een vrucht vast en brengt die naar de snavel, de bovenkaak klemt hem, en de tong draait hem terwijl de onderkaak de schil wegvijlt, zodat onder een veelgebruikte zitplaats een laag doppen en aangevreten vruchten ligt. Behalve zaden en vruchten worden bloemknoppen, jonge bladeren en de zaden uit nog gesloten kegels genomen. Vrijwel alle soorten broeden in een bestaande holte in een boom, een rotswand of een gebouw, zonder nestmateriaal; een enkele soort bouwt in plaats daarvan een groot nest van takken met aparte kamers voor meerdere paren, dat jaren achtereen wordt bewoond en uitgebreid. De witte eieren worden vooral door het vrouwtje bebroed, en de naakte jongen worden wekenlang met opgebraakt voedsel grootgebracht. Het geluid bestaat uit schelle, krassende kreten, meestal in de vlucht en door de hele troep tegelijk; zang ontbreekt. Elke vogel heeft daarbinnen een eigen contactroep, en veel soorten nemen geluiden uit hun omgeving in hun repertoire op.
- Halsbandparkieten | Psittaculidae2 soortenDe familie komt in dit gebied niet van nature voor: alle vogels die er in het wild leven gaan terug op ontsnapte of losgelaten kooivogels, en ze houden stand in steden, parken en landbouwgebied van de warmere streken en op de eilanden in de Stille Oceaan. Kenmerkend is de lange, spits toelopende staart, die bij veel soorten langer is dan het lichaam. Anders dan bij de papegaaien van Amerika verschillen mannetje en vrouwtje bij een groot deel van de familie zichtbaar in kleur: een halsring, een afwijkende kopkleur of zelfs een geheel ander verenkleed. Een deel van de familie heeft een tong met een borstelige punt, waarmee nectar en stuifmeel uit bloemen worden gelikt; de overige leven van zaden, knoppen, bloesem en vruchten. Van een vrucht wordt vaak één hap genomen waarna de rest valt, zodat er onder een bezochte boom meer op de grond ligt dan er is opgegeten. Er wordt gebroed in boomholtes en oude spechtengaten, in steden ook in nissen en spleten van gebouwen. Tegen de avond verzamelen de vogels zich luid roepend in een paar vaste, hoge slaapbomen, waar ze in paren naartoe vliegen.