Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Blauwkeeljuweelkolibrie

Blauwkeeljuweelkolibrie | Lampornis clemenciae

Blue-throated Mountain-gem | Colibrí gorjiazul

De blauwkeeljuweelkolibrie is de grootste kolibrie die in de Verenigde Staten broedt, een stevige vogel van beboste bergkloven met bij het mannetje een saffierblauwe keel die in de zon opvlamt. Niet alleen het mannetje zingt: bij deze soort brengen ook vrouwtjes een eigen lied ten gehore, iets wat bij de meeste kolibries niet voorkomt.

Blauwkeeljuweelkolibrie (Lampornis clemenciae)
Foto: Bettina Arrigoni — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt een simpel, ietwat piepend lied van ongeveer één seconde, herhaald vanaf een vaste, hoge zitplaats, en daarnaast een zachter maar veel ingewikkelder 'fluisterlied' van tot wel acht seconden. De roep is een luid, zoet tsjip dat elke één à twee seconden wordt herhaald en dat in schemerige kloven al op afstand hoorbaar is. Uniek voor een kolibrie is dat paren soms in duet zingen tijdens de balts.

Luister: ZangXC1169404

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Tierra Colorada, Santa Catarina Ixtepeji, Oaxaca, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Het is een grote, gedrongen kolibrie met een dubbele witte streep in het gezicht en grijze onderdelen. Het mannetje draagt een stralend saffierblauwe keelvlek en groenbronzen bovendelen; het vrouwtje mist de blauwe keel en is van onderen effen grijs. De vleugelslag is met ongeveer drieëntwintig slagen per seconde merkbaar trager dan bij kleinere kolibries, wat een lager, dieper zoemend geluid geeft. De staart is lang en breed, met een brede witte band aan de punt van de buitenste veren.

Verwarrings­soorten

In dezelfde bergkloven van het zuidwesten komt de Rivoli's kolibrie voor, eveneens groot maar met een groene in plaats van blauwe keel bij het mannetje, een purperen kruin en slechts één witte streep achter het oog. De veel kleinere breedsnavelkolibrie deelt hetzelfde struweel maar heeft een rode snavel en is nog geen twee derde van het gewicht. Vrouwtjes van beide grote soorten lijken meer op elkaar; let dan op de dubbele gezichtsstreep, die bij de blauwkeeljuweelkolibrie duidelijker is dan bij de Rivoli's kolibrie.

Leefgebied

Hij houdt van vochtig bergbos: oeverbegroeiing langs beken, gemengd dennen-eikenbos en naaldbos in 'sky island (geïsoleerd bergbos boven een omringende woestijnvlakte)'-bergketens, doorgaans niet lager dan ongeveer 1300 meter. Stromend water met bloeiende struiken langs de oever is vrijwel altijd in de buurt, en in de bergdorpen van Arizona bezoekt hij ook tuinen met voederbakken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van het noorden van Mexico tot in het uiterste zuidoosten van Arizona en, met een eigen ondersoort, in de Chisosbergen van West-Texas. Enkele vogels overwinteren bij voederstations in het zuidoosten van Arizona, maar de meeste noordelijke vogels trekken in de winter naar onbekende bestemmingen zuidelijker in Mexico. Zuidelijker, op het Mexicaanse hoogland, is de soort een standvogel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem langs een beschaduwde beek in de bergen van zuidoost-Arizona, bijvoorbeeld bij een van de bekende kloofcanyons, waar hij vaak op een vaste tak boven het water zit te zingen. In de winter is een voederbak bij een berghut de beste kans op een overwinterend exemplaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een vrij stabiele populatie van ongeveer twee miljoen volwassen vogels. Hij verdraagt menselijke aanwezigheid goed, maar in zijn beperkte Amerikaanse broedgebied kan schade aan de oeverbegroeiing langs bergbeken lokale populaties wel degelijk raken.

Wetenschappelijke naam

Lampornis clemenciae | (Lesson, 1830)

Lesson beschreef de soort in 1830 als Ornismya Clemenciae; sindsdien is ze in verschillende andere geslachten geplaatst geweest, waaronder korte tijd het eigen geslacht Cyanolaemus, voordat ze halverwege de twintigste eeuw bij Lampornis terechtkwam — vandaar de haakjes. Het geslacht werd in 1827 door Swainson ingevoerd, uit het Grieks lampe (fakkel, licht) en ornis (vogel). De soortnaam eert een vrouw met de voornaam Clemencia (Clémence); wie zij precies was, is niet met zekerheid overgeleverd. De typelocatie wordt eenvoudig als Mexico opgegeven.