Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Colimazanger
Colimazanger | Leiothlypis crissalis
Colima Warbler | Reinita de Colima
De colimazanger is een grote, doffe zanger van de bergen van Noordoost-Mexico, die in de Verenigde Staten alleen in de Chisos Mountains van Big Bend National Park broedt. Het is de enige Amerikaanse zanger waarvoor de meeste waarnemers een dagtocht van een paar uur bergop moeten maken; buiten dat ene bergmassief is hij binnen de Verenigde Staten nergens te vinden.
Geluid
De zang is een korte, droge triller van zo'n twee seconden, vaak weergegeven als siedel-siedel-siedel-swiet-swiet, met een licht oplopend of afvallend slot. Hij lijkt sterk op die van de nashvillezanger, maar is trager en minder helder. De roep is een scherp, hard tsjik, luider en lager dan bij de meeste zangers van dit geslacht. Mannetjes zingen vanuit de kroon van eiken en dennen langs de canyonbodem, vooral in de vroege ochtend van april tot juni.
Opname: Daniel Lane — CC BY-NC-SA 3.0 · Boot Springs, Chisos Mts, Brewster Co., TX, United States · xeno-canto
Herkenning
Een forse zanger met een lange staart en een grijsbruine kop en bovenzijde, die op de flanken en de rug in warmer bruin overgaat. De onderzijde is vuilgrijs, de stuit is olijfgeel en de onderstaartdekveren zijn helder geel — het kenmerk waarnaar de wetenschappelijke naam verwijst. De witte oogring is smal maar volledig en staat scherp af tegen de grauwe kop. Het mannetje heeft een oranje kruinvlek die vrijwel altijd verborgen blijft. Beide geslachten zijn gelijk getekend.
Verwarringssoorten
De nashvillezanger is kleiner, heeft een grijze kop die duidelijk contrasteert met de groene rug, en een helder gele keel en borst in plaats van een grauwe onderzijde. De virginiazanger is kleiner en grijzer, met een gele vlek op de borst en een korte staart, en broedt in droger pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesbos verder naar het westen. De groene zanger mist de scherpe witte oogring en heeft een vage borststreping. Binnen de Chisos Mountains is de combinatie van formaat, lange staart, grauwe onderzijde en gele onderstaartdekveren doorslaggevend.
Leefgebied
Vochtige bergcanyons tussen ruwweg 1800 en 2400 meter, met eiken, Arizonadennen, madroño, jeneverbes en esdoorn, en een dichte struik- en kruidlaag op de canyonbodem. In Mexico gaat het om vergelijkbaar dennen-eikenbos in de Sierra Madre Oriental. Het nest staat op de grond onder een overhangende oever of tussen bladstrooisel. Droge, laaggelegen woestijnhellingen worden alleen op trek aangedaan; in de winter zit hij in vochtig dennen-eikenbos en bergwoud van Zuidwest-Mexico.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in de Chisos Mountains van Zuidwest-Texas en van daar verspreid door de Sierra Madre Oriental in Midden-Coahuila, Nuevo León en Zuidwest-Tamaulipas tot Noordoost-Zacatecas en Noord-San Luis Potosí. De vogels komen in april aan in Texas en vertrekken in augustus en begin september. De winter wordt doorgebracht in Zuidwest-Mexico, van Zuidoost-Sinaloa en Nayarit zuidwaarts door Jalisco, Colima en Michoacán tot Midden-Guerrero en oostwaarts tot Morelos. Het is daarmee een korteafstandstrekker die het gidsgebied niet verlaat.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De enige betrouwbare plek in de Verenigde Staten is Boot Canyon in de Chisos Mountains, te bereiken via het Pinnacles Trail of het Laguna Meadow Trail — reken op een klim van enkele uren. Ga tussen half april en begin juni en luister naar de droge triller in de vroege ochtend; later op de dag verstomt de zang en is de vogel nauwelijks te vinden. Let in het veld op de lange staart en de gele onderstaartdekveren, want de kleur van kop en rug zegt in tegenlicht weinig.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst, maar het areaal is klein en versnipperd. In Texas gaat het naar schatting om minder dan tweehonderd broedparen, met sterke verschillen tussen jaren. Droogte, bosbrand in de canyons en de opgaande temperatuur in de bergen raken juist dat vochtige eiken- en dennenbos waar de soort van afhankelijk is. Het Mexicaanse deel van het areaal wordt nauwelijks geteld, zodat de trend van de wereldpopulatie onbekend is. Het Texaanse deel ligt geheel binnen een nationaal park, wat het broedgebied daar tegen ontginning beschermt.
Wetenschappelijke naam
Leiothlypis crissalis | (Salvin; Godman, 1889)
Salvin en Godman beschreven de soort in 1889 als Helminthophila crissalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis komt van het Griekse leios 'glad, effen' en thlypis, een naam voor een kleine vogel. De soortnaam crissalis is afgeleid van crissum, de streek rond de onderstaartdekveren, naar het gele veld onder de staart. Het type kwam van de Sierra Nevada de Colima in Mexico; daar overwintert de soort, maar broeden doet ze er niet — de naam Colima verwijst dus naar de vindplaats van het eerste exemplaar.





