Alle soorten › Zangvogels
Zangvogels | Passeriformes
Passerines | Paseriformes
Zangvogels vormen wereldwijd de grootste vogelorde, met een poot waarbij drie tenen naar voren en één grote teen naar achteren wijst; een pees-vergrendelingsmechanisme sluit die teen automatisch om een tak, zodat de vogel ook in slaap niet van zijn stok valt. Een complex strottenhoofd, de syrinx, met meerdere onafhankelijk bestuurbare spierparen, maakt de gevarieerde, vaak melodieuze zang mogelijk waarmee mannetjes een territorium afbakenen of een partner aantrekken. De meeste soorten bouwen een open, komvormig nest van twijgjes, gras of mos, al verschilt de vorm sterk tussen de families. De jongen zijn naakt en hulpeloos bij het uitkomen en blijven als nestblijvers volledig afhankelijk van voedsel dat door de ouders wordt aangedragen, tot ze het nest verlaten.
Families in deze orde
- Schreeuwvogels | TyranniTirannen, mierenvogels, ovenvogels en, in de Oude Wereld, breedbekken en pitta's - bijna allemaal soorten van Zuid-Amerika en de tropen rond de Indische Oceaan. Hun zang ligt vast in de genen: ze leren hem niet van buren, en hun stemorgaan wordt door minder spieren bestuurd dan dat van de echte zangvogels.
- Bekardes en tityra's | Tityridae1 soortDit zijn zwaargebouwde vogels van de boomkruinen aan de bosrand, met een grote kop, een korte, brede snavel met een klein haakje aan de punt, en een rustige, rechtop zittende houding. Ze blijven lang stil zitten, maken dan een korte uitval om een insect van een blad of takje te grissen en keren terug; daarnaast wordt veel fruit gegeten, hangend of in de vlucht van de tak geplukt. Het stemapparaat is eenvoudiger gebouwd dan bij de meeste zangvogels: de geluiden zijn niet aangeleerd maar aangeboren, en bestaan uit dunne, hoge fluitjes, nasale klaagtonen en een grommend gesnor, zonder echte zang. Het nest valt eerder op dan de vogel zelf: een forse, bolvormige bal van gras, worteltjes en plantenvezels, soms wel een halve meter lang, hangend aan het uiteinde van een dunne tak boven een open plek of boven water, met de ingang laag opzij. Een ander deel van de familie broedt juist in een boomholte, die met droge bladeren wordt volgepropt en soms van de rechtmatige bewoners wordt afgepakt. Mannetje en vrouwtje zijn verschillend gekleurd.
- Tirannen | Tyrannidae38 soortenVanaf een vaste, vrije uitkijkpost wordt een langsvliegend insect met een korte uitval gegrepen — soms hoorbaar als een droge snavelklap — waarna de vogel op dezelfde tak terugkeert en weer roerloos wacht. Stijve borstelharen langs de brede, platte snavel beschermen daarbij de ogen. De zang wordt in deze familie niet aangeleerd maar is aangeboren, en bestaat uit een handvol korte, scherpe motieven; verschillende soorten met een vrijwel identiek grijsgroen verenkleed zijn in het veld alleen aan die roep uit elkaar te houden. In de vroege ochtend, nog voor het licht wordt, worden twee of drie van die motieven een halfuur lang in wisselende volgorde herhaald. Veel soorten dragen een verborgen gekleurde kruinvlek die alleen bij opwinding wordt opgezet. Het nest wordt fel verdedigd: een naderende roofvogel of kraai wordt aangevallen en tot ver buiten het territorium achtervolgd. Naast insecten worden in de nazomer ook bessen gegeten, vaak in de vlucht van de struik gegrepen.
- Echte zangvogels | PasseriWat deze groep binnen de orde apart zet, is dat de zang niet vastligt maar moet worden geleerd: een jonge vogel neemt in zijn eerste maanden het voorbeeld van volwassen buren over, en daardoor klinkt één soort van streek tot streek anders. Het stemorgaan draagt daarvoor het volledige aantal spierparen; sommige soorten brengen zo twee tonen tegelijk voort, andere nemen hele stukken uit het geluid van hun omgeving over. Zang dient zowel om een territorium af te bakenen als om een partner te kiezen, en veel soorten hebben er een vast repertoire van tientallen motieven voor. Met ruim vierduizend soorten vormt de groep het grootste deel van de orde; hij komt over de hele wereld voor en is het rijkst aan vormen in Australië en omgeving.
- Kraaien en verwanten | CorvidesNaar zangvogelmaten grote, zwaar gebouwde vogels met een krachtige, vaak licht gehaakte snavel, die eten wat voorhanden is: insecten en vruchten, maar ook eieren, jonge vogels en aas. Naar verhouding tot hun lichaam hebben ze de grootste hersenen van alle vogels, en dat is te merken aan hun geheugen voor plaatsen, hun omgang met voorwerpen en het gemak waarmee ze geluiden nadoen. Ze worden oud, blijven vaak jarenlang bij dezelfde partner en leven in familiegroepen waarin jongen van het vorige jaar meehelpen bij het grootbrengen van een nieuw broedsel. Het legsel is klein en het nest een stevige kom hoog in boom of struik. Het zwaartepunt van de groep ligt in Australazië en op de eilanden ten noorden van Australië, en de meeste soorten blijven het hele jaar in hun gebied.
- Vireo's | Vireonidae15 soortenDe snavel is zwaarder dan bij de meeste insecteneters van vergelijkbaar formaat en eindigt in een klein haakje, waarmee een rups tegen een tak wordt geklemd en aan stukken gescheurd. Het foerageren gaat opvallend traag en bedachtzaam: de vogel schuift stap voor stap door het bladerdak, blijft telkens even stilzitten en tuurt naar de onderkant van de bladeren voordat hij toeslaat — die kalme, bijna aarzelende beweging verraadt hem vaak eerder dan zijn kleur. De zang bestaat uit korte, wat schorre zinnetjes met steeds een pauze ertussen, urenlang volgehouden, ook midden op de dag en tot laat in de zomer wanneer andere soorten al zwijgen; bij verstoring klinkt een nasaal, knorrend gescheld. Het nest is een netjes gevlochten komvormig bakje dat aan de rand is opgehangen in een horizontale takvork, opgebouwd uit bastreepjes, gras en spinrag en aan de buitenkant afgewerkt met korstmos of papierachtige snippers. Beide ouders bebroeden en blijven bij nadering lang zitten.
- Monarchen | Monarchidae3 soortenIn dit gebied gaat het om de kleine, rusteloze bosvogels van de Hawaïaanse eilanden. Ze bewegen voortdurend: de staart wordt rechtop over de rug gedragen en waaiervormig uitgespreid, de vleugels worden geschokt, en van tak naar tak wordt gehipt terwijl insecten van bladeren en bast worden gepikt of met een korte uitval uit de lucht gegrepen, waarbij stijve borstelharen rond de snavelbasis helpen. De vogels zijn opvallend nieuwsgierig en komen tot op een paar meter naar een bezoeker toe kijken. De heldere, gefloten roep van vier lettergrepen klinkt het hele jaar door en gaf de vogel zijn Hawaïaanse naam; wie een boomstam voor een kano uitzocht, lette erop of de vogel eraan zat te pikken, want dan was het hout aangetast. Het nest is een klein, diep kommetje van vezels en mos, van buiten afgewerkt met korstmos en samengebonden met spinrag, geklemd in een takvork; beide ouders bouwen, broeden en voeren, en een paar houdt jaar in jaar uit hetzelfde territorium. Muggen die vogelmalaria overbrengen houden deze vogels tegenwoordig grotendeels in de hoger gelegen bossen.
- Klauwieren | Laniidae2 soortenDe haaksnavel draagt aan weerszijden een scherpe tand die in een uitsparing van de ondersnavel past; daarmee worden de nekwervels van een prooi doorgebeten. De poten zijn die van een zangvogel en te zwak om iets vast te houden onder het eten, en dat wordt opgelost door de prooi op een doorn, een punt prikkeldraad of in een nauwe takvork te spietsen: zo ligt hij vast om te worden verscheurd, en tegelijk is hij bewaard. In een territorium hangen daardoor voorraden sprinkhanen, kevers, muizen, hagedissen en kleine vogels, soms dagenlang; giftige of vieze prooi blijft hangen tot de stoffen zijn afgebroken, en de omvang van de voorraad speelt mee bij de partnerkeuze. Gejaagd wordt vanaf een draad, een paal of een struiktop met vrij uitzicht: de vogel laat zich schuin omlaag vallen en scheert daarna laag en golvend weer omhoog naar de volgende post. Het nest is een forse, diep gevoerde kom in een doornstruik. Buiten het broedseizoen houden mannetje en vrouwtje elk een eigen wintergebied bezet, dat met een krassende roep wordt verdedigd.
- Kraaiachtigen | Corvidae19 soortenIn verhouding tot het lichaam heeft de familie de grootste hersenen van alle vogels, met een vermogen tot probleemoplossend gedrag, gereedschapsgebruik en een geheugen dat honderden verstopplekken voor voedsel exact kan terugvinden, soms maanden later. De stevige, veelzijdige snavel dient zowel om te hameren en te scheuren als om voorzichtig een voorwerp op te pakken, wat past bij een dieet dat van zaden en aas tot eieren en jonge vogels van andere soorten reikt. Bij verschillende soorten in de familie blijven jongen van een vorig legsel bij het ouderpaar om de volgende broedronde te helpen voeren en te bewaken, een samenwerkingsvorm die zeldzaam is onder vogels. Het stemgeluid is ongewoon veelzijdig en omvat naast eigen roepen ook het nabootsen van andere vogels en geluiden uit de omgeving, wat bijdraagt aan een rijk sociaal gedragsrepertoire binnen groepen.
- Mussen en verwanten | PasseridesTegenover de kraaiengroep staat hier de andere helft van de zangvogels: overwegend kleine, licht gebouwde vogels met een fijne snavel, die insecten, zaden en nectar van blad, twijg en bodem plukken. Ze leggen grotere legsels, brengen vaak twee of drie broedsels per jaar groot en bouwen daarvoor een open kom of een gesloten nest in dekking, in een holte of tegen een muur. In het noorden verdwijnt het merendeel zodra de insecten opraken en wordt het territorium in het voorjaar met zang opnieuw opgeëist. Buiten Australazië is dit verreweg de talrijkste groep zangvogels: vrijwel elke zangvogel die je in Europa ziet, hoort hier.
- Mezen, zwaluwen en zangers | SylviidaKleine insecteneters met een dunne, spitse snavel, die hun voedsel tussen blad en twijgen vandaan halen of het in de lucht vangen. Het kleed is groen, grijs of bruin, met weinig verschil tussen man en vrouw en vaak nog minder tussen nauw verwante soorten - het is de groep waar de vogelaar meer aan zijn oor dan aan zijn oog heeft. Het nest ligt diep in de begroeiing, in een holte of als gesloten bal tussen de stengels, en het legsel is voor zangvogels groot. Veel soorten brengen de winter ten zuiden van de Sahara of in Zuid-Azië door, en buiten de broedtijd trekken ze in gemengde groepjes door struweel en kruinen.
- Buidelmezen | Remizidae1 soortKenmerkend is een bouwsel dat het hele jaar dienstdoet: een gesloten bol van doornige twijgjes met een nauwe zij-ingang, van binnen bekleed met plantenpluis en veren en stevig in een stekelige struik verankerd. Een paar bouwt er meerdere per jaar, en de exemplaren die alleen om in te slapen worden gebruikt hebben dikkere wanden dan het broednest, wat in koude woestijnnachten warmte scheelt. De snavel is kort, recht en priemscherp; daarmee worden kleine insecten en spinnen uit doornstruweel gepulkt en wordt de voet van bloemen doorboord om bij de nectar te komen. Vrij water wordt nauwelijks opgezocht: het vocht komt uit prooi en vruchten, wat een bestaan mogelijk maakt in laag, dor struikgewas waar de zomertemperaturen hoog oplopen. Het geluid is voor zo'n kleine vogel scherp en ver dragend, en het paar verdedigt zijn terrein het hele jaar door, ook buiten de broedtijd.
- Mezen | Paridae12 soortenDe poten zijn kort maar krachtig genoeg om ondersteboven aan een twijgpunt te hangen terwijl er tussen naalden of bladeren naar insecten en zaden wordt gezocht. In de herfst verstoppen de vogels duizenden zaden en insecten verspreid over een groot gebied, en een sterk vergrote hippocampus stelt ze in staat die schuilplaatsen weken later nog terug te vinden. De familie broedt in holtes, meestal een verlaten spechtengat of een zachte, verrotte stronk die zelf tot broedholte wordt uitgehakt, gevoerd met mos en haar. Het bekende, gedeeltelijk aangeboren alarmgeroep bevat in het aantal herhaalde lettergrepen informatie over hoe gevaarlijk een roofvogel wordt ingeschat, en buiten het broedseizoen sluiten mezen zich vaak aan bij gemengde groepen van andere kleine bosvogels.
- Leeuweriken | Alaudidae2 soortenAan de achterzijde van de loopbeen dragen deze vogels afzonderlijke schubben op een afgeronde rand, waar andere zangvogels daar één gladde hoornplaat hebben. Het verenkleed is fijn gestreept in zand-, aard- en grijstinten en verdwijnt op kale grond volkomen; wie zo'n vogel uit het oog verliest, vindt hem pas terug als hij beweegt. Er wordt gebroed in een kuiltje in open, laag of onbegroeid terrein, waarbij naast de nestkom vaak een plaveisel van steentjes of kluitjes aarde wordt gelegd, aan de kant waar de wind vandaan komt. De jongen kruipen daar dagen voordat ze kunnen vliegen al uit weg en verspreiden zich lopend over het terrein, wat de kans verkleint dat één vondst het hele broedsel kost. De zang wordt hoog in de lucht afgeleverd en loopt zonder pauze door, bij sommige soorten minutenlang, met nabootsingen van andere vogels erin verwerkt. In de winter trekken losse groepen over stoppelvelden, wegbermen en kaalgewaaide sneeuwvlakten, waarbij het menu grotendeels van insecten op zaden overgaat.
- Rietzangers | Acrocephalidae1 soortDe snavel is lang, plat en breed aan de basis, het voorhoofd loopt vlak in de snavel over, en de poten zijn zwaar met lange tenen: daarmee wordt een rechtopstaande stengel vastgegrepen en klimt de vogel op en neer met de poten om twee stengels geklemd. Het verenkleed is effen bruin tot olijfkleurig, zonder tekening die het onderscheiden van de soorten makkelijk maakt. Het nest is een diepe, cilindrische korf, om enkele stengels heen gevlochten; die diepte houdt de eieren op hun plaats wanneer de stengels bij wind heen en weer zwiepen. De zang is hard, krassend en repeterend, met frasen die twee- of driemaal achtereen worden herhaald, vaak ook 's nachts. Op één afgelegen eiland in dit gebied leeft een soort die niet trekt en in laag, droog struweel verblijft in plaats van in riet, waar ze vooral van nachtvlinders leeft; dat eiland is nog geen vierkante kilometer groot, en op een naburig eiland is een tweede populatie gevestigd om het voortbestaan niet van die ene plek te laten afhangen.
- Zwaluwen | Hirundinidae8 soortenInsecten worden niet vanaf een tak bemachtigd maar in lange, zwenkende banen laag boven water, weiland of wegdek gegrepen, vaak vlak achter grazend vee of een maaimachine die de prooi opjaagt; anders dan andere luchtjagers gaan deze vogels wel gewoon op draden en dunne takken zitten. Er zijn drie manieren van nestelen: een tunnel die met snavel en pootjes in een steile zandwand wordt uitgegraven, een holte of nestkast die met veren wordt gevoerd, en een bakje of een gesloten, flesvormig nest van modderbolletjes, korrel voor korrel aangevoerd en tegen een balk, brugpijler of rotsoverhang gemetseld — soms met honderden nesten tegen elkaar. Het geluid is een vloeiend, kwetterend gebabbel; één scherpe alarmroep brengt een hele kolonie tegelijk in de lucht. Na het uitvliegen worden de jongen nog dagenlang in de vlucht gevoerd, en tegen de trek verzamelen zich 's avonds grote groepen in rietvelden.
- Staartmezen | Aegithalidae1 soortHet nest is een hangende, buidelvormige zak van mos, korstmos en spinrag, van buiten gecamoufleerd en van binnen met honderden veertjes bekleed; er wordt weken aan gebouwd, het weefsel rekt mee terwijl de jongen groeien, en de hele familie slaapt er 's nachts in, ook nadat de jongen zijn uitgevlogen. De ingang zit hoog in de zijkant. Buiten de broedtijd schuiven deze vogels in groepen van tien tot enkele tientallen als een aaneengesloten sliert door struikgewas en boomkruinen: de een na de ander springt over hetzelfde traject, terwijl een onophoudelijk fijn getik het groepje bijeenhoudt. Echte zang ontbreekt. Bij het nest worden de ouders geregeld geholpen door extra volwassen vogels die mee voeren, en een paar dat tijdens de bouw wordt verstoord laat het halve bouwsel staan en begint elders opnieuw. Mannetje en vrouwtje zijn nauwelijks te onderscheiden, behalve aan de kleur van de iris.
- Cettizangers | Cettiidae1 soortDe familie hoort in dit gebied niet van nature thuis: op de eilandengroep in de Stille Oceaan werd in de jaren twintig van de vorige eeuw een soort losgelaten, die zich sindsdien over vrijwel alle grote eilanden heeft verspreid, van tuinen en plantages tot in het bergbos. Het zijn onopvallend bruine vogels van dicht, laag struweel, met korte, ronde vleugels en een lange, getrapte staart die tien in plaats van de gebruikelijke twaalf pennen telt. Ze blijven vrijwel voortdurend in de dekking en worden veel vaker gehoord dan gezien. De zang is voor zo'n kleine vogel buitengewoon luid: een lang aangehouden, hoge fluittoon gevolgd door een korte, uitbarstende slotfrase, en hij draagt door dicht groen ver genoeg om een uitgestrekt territorium af te bakenen. Een mannetje paart met meerdere vrouwtjes; het vrouwtje bouwt alleen het nest, een diepe kom laag in het gebladerte, en brengt de jongen zelf groot.
- Boszangers | Phylloscopidae2 soortenHet zijn kleine, slanke vogels in effen olijfgroene, grijze en bruine tinten, met een dunne, spitse snavel, een lichte wenkbrauwstreep en bij een deel een of twee lichte vleugelstrepen; mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit. De soorten lijken onderling zo sterk op elkaar dat ze in het veld vooral op geluid uit elkaar worden gehouden: elk heeft een eigen, meestal eenvoudig opgebouwde zang en een karakteristieke roep, terwijl de verschillen in verenkleed neerkomen op de lengte van de wenkbrauwstreep en de kleur van poten en ondersnavel. Er wordt beweeglijk gefoerageerd in het buitenste blad, waar minuscule insecten en bladluizen van de onderkant van bladeren worden geplukt. Het nest staat op of vlak boven de grond en is overkoepeld, met de ingang aan de zijkant. De trek voert over duizenden kilometers naar tropische overwinteringsgebieden, en juist op die lange route belanden in de herfst geregeld vogels ver buiten hun gewone gebied.
- Buulbuuls | Pycnonotidae2 soortenDe familie hoort in dit gebied niet van nature thuis: uit de kooivogelhandel afkomstige vogels zijn losgelaten of ontsnapt en hebben zich gevestigd in tuinen, parken en boomgaarden op de eilanden in de Stille Oceaan en plaatselijk op het vasteland in het zuiden. Het zijn middelgrote vogels met los, zacht verenkleed, een korte hals en een slanke, licht gebogen snavel met stevige borstelharen aan de basis; in de nek staan haarachtige veertjes, en veel soorten dragen een kuif. Ze leven in luidruchtige groepjes, roepen de hele dag met heldere, babbelende frasen en zijn nadrukkelijk aanwezig in bewoond gebied. Het voedsel bestaat grotendeels uit vruchten en bloemknoppen, aangevuld met nectar en met insecten die in een korte uitval uit de lucht worden gegrepen; vruchten worden heel doorgeslikt, zodat de zaden onbeschadigd elders terechtkomen. Het nest is een open kom in een struik of lage boom.
- Diksnavelmezen | Paradoxornithidae1 soortDe snavel is kort, hoog en sterk gebogen, met een kromme bovenrand, en is gebouwd om harde zaden te kraken en insecten uit stengels te wrikken. Verder vallen een lange, getrapte staart op die vaak schuin omhoog wordt gehouden, korte ronde vleugels en een los, pluizig verenkleed. Het zijn vogels van dicht, laag struweel die zich zelden ver van dekking wagen en slecht vliegen; in dit gebied leeft een soort in het droge, verende struikgewas van de westelijke kustheuvels. Ze zijn uitgesproken honkvast: een paar blijft het hele jaar en vaak levenslang bij elkaar in hetzelfde territorium, slaapt zij aan zij en verplaatst zich zo weinig dat veel vogels hun hele leven binnen enkele honderden meters van hun geboorteplek blijven. De zang bestaat uit een reeks heldere tonen die versnellen en in een ratel overgaan, als een stuiterende bal; hij klinkt het hele jaar door, en de vogel wordt vrijwel altijd eerder gehoord dan gezien.
- Brilvogels | Zosteropidae1 soortDe familie hoort in dit gebied niet van nature thuis: in de jaren twintig van de vorige eeuw zijn vogels op de eilanden in de Stille Oceaan losgelaten, waar de soort nu in grote aantallen voorkomt, van tuinen op zeeniveau tot in het bergbos. Kenmerkend is een gesloten ring van korte, witte veertjes rond het oog, scherp afgetekend tegen een effen olijfgroene bovenzijde. De snavel is fijn, spits en licht gebogen, en de tong loopt uit in een borstelige punt waarmee nectar uit bloemen wordt opgenomen; daarnaast worden kleine vruchten en insecten gegeten. Het zijn uitgesproken groepsvogels: ze bewegen zich in troepjes door het bladerdek, houden met een ijl, aanhoudend geroep contact en verzorgen elkaars kopveren. Het nest is een klein, netjes gevlochten kommetje dat in een takvork wordt opgehangen. Leden van deze familie hebben over de hele wereld afgelegen eilandengroepen weten te bereiken en te bevolken.
- Lachvogels | Leiothrichidae3 soortenDe familie hoort in dit gebied niet van nature thuis: om hun zang werden deze vogels als kooivogel ingevoerd, en losgelaten of ontsnapte exemplaren hebben zich op de eilanden in de Stille Oceaan gevestigd, in bosranden, ravijnen en verwilderde beplanting. Het zijn stevig gebouwde vogels met korte, ronde vleugels en krachtige poten, die het grootste deel van de tijd in de onderste laag van dicht bos doorbrengen: bladafval wordt met snavel en poten omgewoeld, en over open terrein wordt liever gelopen dan gevlogen. Ze leven in groepen die luidruchtig door het struweel schuiven en elkaar met heldere, fluitende en kakelende reeksen antwoorden, waarbij twee vogels hun strofen zo strak in elkaar schuiven dat het als één zang klinkt. Het nest is een kom laag in dichte begroeiing, en bij een deel van de familie helpen groepsleden buiten het paar mee bij het voeren en bewaken van de jongen.
- Lijsters, vliegenvangers en spreeuwen | MuscicapidaZangvogels die vanaf een vaste post werken: rechtop zittend kijken ze rond en storten zich op wat beweegt, of ze plukken insecten van bast, tak en bodem. De poten zijn stevig, de snavel is aan de basis breed en staat vol borstelharen, en de zang is luid en muzikaal, met een groot aantal motieven achter elkaar. Het eerste kleed van de jongen is gevlekt of geschubd, ook bij soorten die als volwassen vogel effen zijn. In de nazomer en winter stappen de meeste soorten grotendeels over op bessen en ander zacht fruit - de reden dat lijsters in koude winters massaal naar het westen schuiven.
- Pestvogels | Bombycillidae2 soortenHet verenkleed is zijdeachtig glad en toont nauwelijks afzonderlijke veren; kenmerkend zijn de spitse kuif, het zwarte masker en een strakke gele of oranje eindband aan de staart. Aan de punt van de armpennen dragen volwassen vogels rode, waskleurige plaatjes, verbrede uiteinden van de veerschacht, waarvan het aantal met de leeftijd toeneemt en dat een rol speelt bij de partnerkeuze. Een groot deel van het jaar leven deze vogels vrijwel uitsluitend van vruchten en bessen, die heel worden doorgeslikt en snel de darm passeren; op gegist fruit raken ze soms zichtbaar aangeschoten. Er wordt geen territorium verdedigd: de groepen zwerven het hele jaar door van de ene vruchtdragende struik naar de volgende, wat betekent dat ze de ene winter met honderden aanwezig kunnen zijn en de volgende volledig ontbreken. Zittend op een rij geven ze een bes of een bloemblad van snavel tot snavel de rij langs en weer terug. Echte zang ontbreekt; het contactgeluid is een zeer hoge, ijle triller. Er wordt laat in het seizoen gebroed, als het fruit rijpt.
- Zijdevliegenvangers | Ptiliogonatidae1 soortHet verenkleed is zacht en zijdeachtig, de kop draagt een dunne, rechtopstaande kuif en het oog is rood. Insecten worden in een sierlijke, wat fladderende uitval boven de kruin gevangen, maar het grootste deel van het jaar leeft de familie van kleine vruchten. De soort van de woestijn is daarbij vrijwel geheel op maretakbessen aangewezen: er gaan er honderden per dag door, heel doorgeslikt, waarna de schil in de maag van het vruchtvlees wordt gescheiden en het zaad binnen een half uur weer wordt uitgescheiden; het blijft aan een tak plakken en groeit daar uit tot een nieuwe maretak, zodat de vogel zijn eigen voedselplant uitzaait. Anders dan zwervende bessenetende vogels bezet hij in de winter een eigen terrein rond een boom vol maretakken en verdedigt dat tegen andere vruchtenetende vogels. Het nest is een klein, ondiep kommetje in een takvork, dat vooral door het mannetje wordt gebouwd. De roep is een zacht, vragend omhoog buigend fluitje; de zang is ijl en aarzelend, met nabootsingen erin.
- Goudhaantjes | Regulidae2 soortenMet rond de zes gram behoren deze vogels tot de kleinste zangvogels van het gebied. Ze zijn vrijwel voortdurend in beweging, fladderen door de buitenste naaldtwijgen en klappen daarbij nerveus met de vleugels, een manier van doen die ze al op afstand verraadt. Bij het foerageren wordt kort ter plaatse gehangen om piepkleine insecten, springstaarten en eitjes van de onderkant van naalden te plukken. De kruin draagt een gekleurde vlek die normaal half verborgen ligt tussen de omringende veren en pas bij opwinding of baltsvertoon wordt opgezet tot een vlammend kroontje. Het nest is een diepe, dikwandige kom van mos, korstmos en spinrag die onder een naaldtak hangt en zo klein is dat de eieren in twee lagen boven elkaar liggen; het legsel is voor een vogel van dit formaat opvallend groot. De zang bestaat uit zeer hoge, ijle tonen die overgaan in een snel, buitelend slot. Buiten de broedtijd sluiten ze zich aan bij rondtrekkende groepjes bosvogels en komen ze koude nachten door door dicht tegen elkaar aan te kruipen.
- Boomklevers | Sittidae4 soortenDeze vogels lopen als enige groep kop-omlaag langs een boomstam naar beneden en over de onderkant van takken, zonder de staart als steun te gebruiken: de staart is kort, en de vogel houdt zich vast met één poot omhoog en één omlaag, met lange, kromme nagels. Zo worden schorsspleten bekeken vanuit een hoek die vogels die alleen omhoog klimmen nooit te zien krijgen. Een zaad of noot wordt in een spleet geklemd en er met korte, harde slagen van de snavel opengehakt; in de nazomer worden zulke voorraden in de schors weggewerkt en met een stukje korstmos of bast afgedekt. Er wordt in holtes gebroed, waarbij de rand van de opening bij sommige soorten met hars wordt ingesmeerd of met een fijngewreven insect wordt bestreken. De roep is nasaal en toeterend en klinkt het hele jaar door. Bij enkele soorten helpen jongen van het vorige jaar het paar bij het voeren, en 's winters overnachten tientallen vogels dicht opeen in dezelfde holte.
- Boomkruipers | Certhiidae1 soortDe bovenzijde is in bruin, roest en wit gevlekt als een stuk schors; een vogel die zich stil tegen een stam drukt, is van dichtbij niet te zien. De staartpennen zijn stijf en spits en dienen als steunpoot, de nagels zijn lang en krom, en de dunne snavel is sterk neerwaarts gebogen om in schorsspleten te kunnen tasten. Het foerageren verloopt volgens een vast patroon: onderaan een stam beginnen, in een spiraal omhoog klimmen tot in de onderste takken, en dan naar de voet van de volgende boom vliegen om opnieuw te beginnen. Het voedsel bestaat vrijwel uitsluitend uit kleine geleedpotigen en hun eitjes, uit de bast gepeuterd. Het nest is een halvemaanvormige hangmat van twijgjes en spinrag, weggeklemd achter een losse schorsplaat van een dode of stervende boom, met aan weerszijden een opening. Zang en roep liggen zo hoog en ijl dat ze aan de bovengrens van het menselijk gehoor liggen en voor veel mensen onhoorbaar zijn.
- Muggenvangers | Polioptilidae4 soortenHet zijn zeer kleine, slanke insecteneters met een dun, priemvormig snaveltje en een lange, smalle staart met witte buitenranden. Die staart staat zelden stil: hij wordt opgewipt en met korte rukken zijwaarts uitgeslagen, waarbij het wit oplicht en insecten uit hun schuilplaats opvliegen, die dan met een kort uitvalletje uit de lucht worden geplukt. Er wordt onophoudelijk gefoerageerd in de buitenste twijgen van struiken en boomkronen, vaak hangend of even ter plaatse fladderend. Het geluid dat de vogels het eerst verraadt is een ijl, nasaal en licht raspend zzzz, waarmee een paar het hele jaar contact houdt; de zang is een zacht, aaneengeregen gemompel met nagebootste flarden erin, alleen van dichtbij hoorbaar. Het nest is een klein, diep kommetje dat schrijlings op een tak wordt gebouwd; na verstoring wordt het afgebroken en het materiaal elders opnieuw verwerkt, soms meer dan eens in een seizoen. Soorten van droog doornstruweel blijven het hele jaar in paren bijeen en halen hun vocht grotendeels uit hun prooi; noordelijke vogels trekken weg.
- Winterkoningen | Troglodytidae10 soortenHet zijn kleine, bruine vogels met fijne dwarsbandering op vleugels en staart en een dunne, licht gebogen snavel; de staart wordt vaak steil omhoog geklapt. Ze bewegen zich muisachtig door dicht struweel, takkenhopen, rietkragen en rotsspleten, waar ze op zoek naar insecten en spinnen in elke opening kruipen. In verhouding tot het lichaam is het stemgeluid uitzonderlijk luid: aanhoudende, snelle rollers en trillers die minutenlang worden volgehouden, bij sommige soorten beantwoord door het vrouwtje met een ratelend geluid, zodat het klinkt als één doorlopende uitbarsting. Het nest is bij een deel van de familie een gesloten bol van gras met een zij-ingang, bij andere een holte of nis die met takjes wordt volgestouwd; het mannetje bouwt meerdere ruwe aanzetten, waarna het vrouwtje er één kiest en die met veren en haar afwerkt. Buiten het broedseizoen kruipen bij koud weer meerdere vogels samen in dezelfde nauwe holte om de nacht door te komen.
- Spotlijsters | Mimidae11 soortenKenmerkend is een lange staart die bij het foerageren rechtop wordt gehouden, en een slanke snavel die bij een deel van de familie sterk gebogen is; daarmee worden bladafval en losse grond met zijwaartse veegslagen opzijgeworpen tot insecten, larven en zaden bloot komen te liggen. Het zangrepertoire bestaat grotendeels uit nagebootste flarden van andere vogels, van kikkers en van geluiden uit de omgeving, die per soort in een vast ritme worden afgeleverd: de ene herhaalt elke frase een keer of drie voor hij verdergaat, de andere precies tweemaal, en weer een andere rijgt de flarden zonder herhaling aaneen, waarmee de zanger op het gehoor te plaatsen is. Ongepaarde mannetjes zingen vanaf een open uitkijkpost, ook 's nachts, en het repertoire groeit een leven lang aan. Het nest is een grove twijgenkom laag in een dichte struik of doornstruweel, en het broedende paar valt katten, slangen en mensen die te dicht naderen zonder aarzelen aan. In de zomer overheersen insecten in het menu, in de winter bessen.
- Spreeuwen | Sturnidae2 soortenDe familie hoort in dit gebied niet van nature thuis: in 1890 werden enkele tientallen vogels in een stadspark aan de oostkust losgelaten, waarna ze zich in een halve eeuw over het hele continent verspreidden, en op de eilanden in de Stille Oceaan is een andere vertegenwoordiger uitgezet die daar in dorpen en langs wegen leeft. Het zijn stevige, kortstaartige vogels met een spitse snavel, die over de grond lopen in plaats van te huppen, met een doelgerichte, licht wiebelende pas. Het glanzende verenkleed draagt in de herfst lichte veerpunten die in de loop van de winter afslijten, zodat de vogel tegen het voorjaar zonder te ruien donker en metaalglanzend wordt. De zang is een lange, ongeordende reeks fluitjes, klikken en ratels waarin nagebootste geluiden van andere vogels en van machines worden ingevoegd. Er wordt in holtes gebroed, die met veel vertoon op andere holenbroeders worden veroverd. Buiten het broedseizoen slapen de vogels met duizenden bijeen en draaien ze voor het invallen van de duisternis in dichte, samenhangende wolken boven de slaapplaats.
- Waterspreeuwen | Cinclidae1 soortDeze vogels zoeken als enige zangvogels hun voedsel onder water. In snelstromende beken lopen ze tegen de stroom in over de bodem, wippen kiezels om en pikken larven van kokerjuffers, haften en steenvliegen van de onderkant; in dieper water wordt met de vleugels gepeddeld. De kop wordt schuin tegen de stroom in gehouden, die de vogel tegen de bodem drukt, terwijl de nagels zich in het grind vastgrijpen. Het lichaam is gedrongen en kortstaartig, het verenkleed dicht en met vet uit een ongewoon grote stuitklier waterdicht gehouden; de neusgaten sluiten af met een klepje en een knipvlies schuift onder water over het oog. Op een steen midden in de stroom maakt de vogel voortdurend diepe kniebuigingen en knippert daarbij met witte oogleden. Het nest is een grote mosbal met een lage ingang aan de voorzijde, op een richel boven het water, onder een brug of achter een waterval, waar de nevel eroverheen slaat. De zang is luid, aanhoudend en hoog genoeg om boven het geraas van het water uit te komen, en klinkt ook midden in de winter, langs het stuk beek dat jaarrond wordt verdedigd.
- Lijsters | Turdidae20 soortenOnafhankelijk van de tekening op de volwassen vogel hebben de jongen van vrijwel alle soorten in de familie een dicht gevlekte borst, een patroon dat bij sommige volwassen soorten verdwijnt en bij andere, zoals lijsters, bewaard blijft. De zang is welluidend en fluitend, met een groot toonbereik dat wordt geproduceerd door een strottenhoofd met twee onafhankelijk bestuurbare geluidsbronnen, waardoor sommige soorten twee tonen tegelijk kunnen laten klinken. Op de grond wordt gejaagd met een kenmerkende reeks van rennen, stilstaan en luisteren of kijken, gevolgd door een snelle pik naar een worm of insect vlak onder het oppervlak; buiten het broedseizoen wordt er in toenemende mate op vruchten overgeschakeld. Nesten variëren van een met modder bepleisterde kom tot een simpele bekleding in een boomholte, en de trek verloopt bij veel Noord-Amerikaanse soorten 's nachts, mogelijk mede aan de hand van de sterrenhemel.
- Vliegenvangers | Muscicapidae8 soortenWereldwijd is dit een grote familie van de Oude Wereld; in dit gebied broeden er maar enkele soorten, in het uiterste noordwesten, en verschijnen de overige als dwaalgast op de westelijke eilanden. Wat de leden delen is een rechtop zittende houding op een lage uitkijkpost — een steen, een paaltje, een graspol — van waaruit ze zich op een prooi op de grond laten vallen om daarna terug te keren; de poten zijn slank en betrekkelijk lang, de snavel kort en aan de basis breed. Het verenkleed is meestal grijs of bruin, met de kleur geconcentreerd op keel, stuit of staartbasis, die pas oplicht als de vogel wegvliegt of de staart spreidt. Er wordt in nauwe spleten gebroed: tussen stenen, in een verlaten knaagdierhol of onder een overhangende pol, met een smalle toegang naar diep in de holte. De zang is luid en gevarieerd en bevat vaak nagebootste flarden. De noordwestelijke broedvogels trekken in het najaar niet zuidwaarts over het continent, maar keren over zee terug naar Azië en reizen van daar door tot in Afrika of Zuid-Azië.
- Vinken, mussen en gorzen | PasseridaZaad is hier het hoofdvoedsel van de volwassen vogels: de snavel is kegelvormig of juist fijn en pincetachtig, het voedsel wordt lopend of huppend op de grond gezocht en de vogels moeten dagelijks drinken. De jongen krijgen niettemin bijna overal insecten, ook bij soorten die zelf uitsluitend zaad eten. Man en vrouw verschillen vaker en sterker in kleed dan in de andere groepen, en de zang is kort en herhalend, gebracht vanaf een open zitplaats of in een zangvlucht boven open terrein. Buiten de broedtijd verzamelen veel soorten zich in groepen waar zaad ligt: stoppelvelden, ruigten en voerplaatsen bij huis.
- Oranjekopzanger | Peucedramidae1 soortDe familie telt wereldwijd één soort, van hooggelegen dennenbossen in de bergen; op grond van DNA-onderzoek is die als eigen familie afgezonderd van de Amerikaanse zangers, waarbij ze lang was ingedeeld. De vogel blijft vrijwel altijd hoog in de kroon van naaldbomen, waar hij traag en methodisch langs de buitenste naaldbundels schuift, veel ondersteboven hangt en met een dunne, spitse snavel met licht ingekeepte punt kleine insecten en spinnen tussen de naalden vandaan haalt; de tak wordt zelden verlaten voor een uitval in de lucht. De kop is warm oranjebruin met een zwart masker bij het mannetje en valer bij het vrouwtje, de rest van het kleed grijs met witte vleugelstrepen. Het nest ligt hoog en ver naar buiten op een horizontale tak, verborgen in een dichte naaldenkwast, en is een diep kommetje van korstmos, worteltjes en plantenpluis. De zang bestaat uit heldere, gefloten tonen in een gelijkmatige, herhaalde reeks die ver door het bos draagt. Er wordt niet weggetrokken; hooguit wordt in de winter naar lager gelegen bos uitgeweken.
- Prachtvinken | Estrildidae8 soortenGeen van de soorten die hier in het wild leven hoort in dit gebied van nature thuis: het zijn ontsnapte en losgelaten kooivogels uit Afrika en tropisch Azië, die zich vooral op de eilanden in de Stille Oceaan en in enkele warme laaglanden van het vasteland hebben gevestigd, waar ze in wegbermen, rietkragen en braakliggend grasland van zaad leven. Het zijn zeer kleine vogels met een korte, dikke snavel die vaak koraalrood of zilvergrijs is en als was glanst; het verenkleed is fijn dwarsgestreept of met witte stippen bezaaid. Halfrijpe graszaden worden van de aar geplukt en één voor één in de snavel van hun kaf ontdaan. Het nest is een dichte grasbol met een korte inloopbuis; buiten de broedtijd wordt een aparte, ruwere bol gebouwd waarin de groep 's nachts dicht opeen slaapt. De jongen dragen in de bek een vast patroon van donkere stippen en aan de mondhoeken glanzende knobbeltjes die in het donkere nest oplichten en de ouders wijzen waar ze moeten voeren. Het mannetje zingt zo zacht dat het alleen van zeer nabij hoorbaar is, met een grashalm in de snavel en dansend op de tak.
- Heggenmussen | Prunellidae1 soortHet zijn onopvallende, grijsbruine vogels met een fijn gestreepte rug, een grijze kop en borst en een dunne, spitse snavel: in de zomer worden kleine insecten gegeten, in de winter vooral zaden. Ze bewegen zich muisachtig en laag over de grond, schuifelend en met trillende vleugels, meestal vlak langs de rand van een struik of een steenhoop, en vliegen bij verstoring laag naar de eerste dekking. Het broedgebied ligt in laag struikgewas van bergen en toendra, tot boven de boomgrens. Opvallend is de paarvorming: bij verschillende soorten leven op één terrein meerdere mannetjes en vrouwtjes door elkaar die alle met elkaar paren, waarna elk mannetje de jongen voert in verhouding tot zijn aandeel in die paringen. Het nest is een net kommetje van mos en fijne twijgjes, laag in een struik en met haar gevoerd. De zang is een kort, hoog en wat rammelend deuntje vanaf een struiktop of steen; de roep is een ijl, trillend tsie-ie. In dit gebied verschijnt de familie alleen als dwaalgast uit Azië, in het uiterste westen en noordwesten.
- Mussen | Passeridae2 soortenDe familie hoort in dit gebied niet van nature thuis: de twee soorten die er in het wild leven zijn in de negentiende eeuw uit Europa ingevoerd en losgelaten, waarna de ene zich over het hele continent verspreidde en de andere beperkt bleef tot een klein gebied rond de plaats van uitzetting. Het zijn gedrongen vogels met een zware, kegelvormige snavel en korte poten, die huppend over de grond bewegen en zich vrijwel altijd binnen enkele meters van dekking of bebouwing ophouden. Ze leven in groepen, baden zowel in water als in droog stof, en slapen het hele jaar met velen tegelijk in klimop, dichte heggen of onder dakpannen. Het nest is een slordige, overdekte prop van gras en veren, gepropt in een holte, onder een dakrand of tussen ijzerwerk, en wordt in één seizoen twee tot vier keer opnieuw gebruikt. Zang in eigenlijke zin ontbreekt: het mannetje herhaalt maandenlang hetzelfde tsjilpje vanaf een vaste plek naast zijn nestholte. De omvang van de zwarte bef op de keel verschilt per mannetje en hangt samen met zijn plaats in de rangorde binnen de groep.
- Kwikstaarten en piepers | Motacillidae9 soortenHet zijn slanke grondvogels met een dunne snavel en een lange staart, die over open terrein lopen in plaats van te huppen en daarbij de staart voortdurend op en neer pompen, ook meteen na het landen; op afstand is die beweging het betrouwbaarste kenmerk van de familie, al is de functie ervan niet uitgemaakt. De achternagel is bij een deel van de familie opvallend lang en recht, wat past bij een leven tussen gras en op vlakke, kale bodem. Het voedsel bestaat uit insecten die al lopend van het oppervlak worden gepikt, langs waterkanten, op slik en strand, op toendra en in kortgrazige weiden. Omdat er in dat open landschap geen zangposten zijn, stijgt het mannetje in de broedtijd steil op, zingt hoog in de lucht en laat zich daarna met stijve, opgeheven vleugels weer zakken; sommige soorten houden die vlucht zeer lang vol. Het nest ligt in een kuiltje op de grond, weggewerkt onder een graspol of een overhangend randje, vaak met een looppaadje ernaartoe. Buiten de broedtijd wordt in losse groepen op kale akkers en oevers gefoerageerd.
- Vinkachtigen | Fringillidae40 soortenZaad wordt niet alleen ter plekke gekraakt maar ook meegenomen: in een uitstulping van de slokdarm past een voorraad waarmee de vogel de nacht doorkomt en waaruit ook de jongen worden gevoerd. Die jongen krijgen, anders dan bij vrijwel alle andere zangvogels, opgebraakt zaad in plaats van insecten, en dat maakt het broeden los van de insectenpiek: er wordt gebroed waar en wanneer het zaad rijp is, en na een slechte zaadoogst verlaten hele populaties hun gewone gebied en duiken ze ver zuidelijker op. De vlucht is diep golvend, en bij elke golf klinkt een roepje waaraan de soort ook zonder zicht te herkennen is. Bij de kruisbekken schuiven de snavelpunten langs elkaar heen: daarmee worden de schubben van een kegel uiteengewrikt en wordt het zaad er met de tong uit gelicht, ook midden in de winter. Ook de Hawaiiaanse honingkruipers worden tot deze familie gerekend; hun snavels lopen uiteen van kort en zwaar tot lang en sikkelvormig, een deel leeft van nectar, en veel van deze vogels houden alleen nog stand in hoog bergbos, boven de zone waar muggen vogelmalaria overbrengen.
- IJsgorzen en sneeuwgorzen | Calcariidae6 soortenDeze vogels horen thuis in open, boomloos land, van toendra en kortgrasprairie tot kale kust, en zijn daar aan het lopen over de grond aangepast, met een lange, vrijwel rechte nagel aan de achterteen. Ze huppen niet maar stappen en schuifelen, gedrukt tegen de bodem, en zijn in dat terrein meestal pas te zien als ze opvliegen. Bij gebrek aan zangposten wordt het territorium vanuit de lucht afgebakend: het mannetje klimt zingend op en glijdt daarna met opgeheven vleugels weer omlaag. Het nest ligt in een kuil in de grond onder een pol, of in het hoge noorden diep in een rotsspleet of tussen stenen, en wordt dik met veren en haar gevoerd tegen de kou; de korte noordelijke zomer laat maar één legsel toe, dat vrijwel volledig met insecten wordt grootgebracht. In de winter leven ze van zaden op kale akkers, wegbermen en stranden, in groepen van tientallen tot honderden die laag over de grond golven en daarbij wit in vleugels en staart laten zien. Het broedkleed ontstaat niet door een rui maar door slijtage: de bruine veerpunten schuren in de loop van de winter af.
- Gorzen | Emberizidae2 soortenIn dit gebied verschijnt deze familie van de Oude Wereld vrijwel alleen in het uiterste westen: enkele vogels per jaar, op de eilanden in de Beringzee en langs de kust van Alaska, in het late voorjaar of in het najaar, wanneer ze op hun weg tussen Noordoost-Azië en Zuid- en Zuidoost-Azië te ver oostwaarts zijn geraakt. Kenmerkend is een korte, kegelvormige snavel met een harde knobbel op het verhemelte, waartegen een zaadje met de tong wordt geklemd en van zijn kaf ontdaan. De staart is betrekkelijk lang en licht gevorkt, met witte buitenste veren die bij het opvliegen oplichten. Er wordt gebroed in open landschap met verspreide struiken: taigaranden, kapvlakten, rietmoeras en bergweiden, in een grasnest op of vlak boven de grond. De zang is kort en eenvoudig, een vast zinnetje van enkele tonen dat vanaf een struiktop, rietstengel of draad minutenlang onveranderd wordt herhaald. Buiten de broedtijd wordt in groepen op stoppelvelden en in riet gefoerageerd, en trekken de vogels 's nachts.
- Amerikaanse gorzen | Passerellidae43 soortenOndanks de naam hebben deze gorzen niets te maken met de mussen van de Oude Wereld; de familie staat er los van en is op basis van DNA-onderzoek pas relatief laat als eigen groep herkend, met een dikke, kegelvormige snavel voor het kraken van zaden. Op de grond of vlak erboven wordt naar voedsel gezocht met een dubbele achterwaartse schraapbeweging van beide poten tegelijk, waarmee bladafval wordt weggeschoven om zaden en insecten bloot te leggen. Het overwegend gestreepte bruine verenkleed camoufleert de vogels tegen droog gras en struweel, terwijl het nest, laag in de vegetatie of op de grond, uit gras en wortels wordt gevlochten. Het gezang varieert sterk tussen streken van dezelfde soort, met plaatselijke dialecten die jonge vogels van naburige zangers overnemen.
- Spindalissen | Spindalidae1 soortDit is een kleine familie van de bosrijke eilanden van de Caraïben; in dit gebied bereikt ze alleen de uiterste zuidoostpunt van het vasteland, waar af en toe een vogel vanaf de Bahama's overkomt. De mannetjes zijn scherp getekend, met een zwart-wit gestreepte kop, een oranje tot kastanjebruine borst en stuit en een olijfgroene rug; de vrouwtjes zijn vrijwel effen olijfgrijs. De snavel is kort en stevig, met een licht gebogen bovenrand. Het voedsel bestaat vooral uit kleine vruchten en bessen, die heel worden doorgeslikt, aangevuld met bloemknoppen, jonge blaadjes en insecten. Er wordt hoog in de kroon gefoerageerd, waar de vogels ondanks hun tekening gemakkelijk over het hoofd worden gezien omdat ze zich traag en zwijgzaam door dicht blad bewegen. Buiten de broedtijd zwerven kleine groepjes van de ene vruchtdragende boom naar de volgende, en bij een slechte oogst wordt open water overgestoken. Het nest is een klein kommetje van gras en plantenvezels in een struik of boom. Het geluid bestaat uit zeer hoge, ijle en zwakke tonen die gemakkelijk worden gemist.
- Troepialen | Icteridae25 soortenDe snavel is spits en recht en wordt niet alleen gebruikt om te pikken, maar ook om gesloten in de grond of onder schors te steken en dan krachtig open te wrikken, waarmee verborgen voedsel wordt blootgelegd; deze techniek is binnen de familie wijdverbreid en relatief zeldzaam bij andere zangvogels. Bij veel soorten zijn de mannetjes glanzend zwart of felgekleurd en de vrouwtjes veel onopvallender bruin gestreept, wat samengaat met een systeem waarin één mannetje met meerdere vrouwtjes tegelijk broedt, zoals te zien is bij dichte, kolonievormig broedende soorten in moerasriet. Troepials weven een hangend, buidelvormig nest van plantenvezels dat aan het uiteinde van een dunne twijg bungelt, terwijl de bruinkopkoevogel als enige in de familie zelf geen nest bouwt en in plaats daarvan al zijn eieren stiekem bij andere zangvogels legt, die de jongen vervolgens zelf grootbrengen. Het jong van een koevogel groeit vaak sneller dan de eigen jongen van de gastheer en verdringt die daarbij in voedsel of ruimte.
- Amerikaanse zangers | Parulidae54 soortenDe snavel is dun en spits, gebouwd om kleine geleedpotigen van bladeren en twijgen te plukken, vaak tijdens onophoudelijk fladderen of hangend aan de uiterste twijgpunten. Veel soorten dragen in de broedtijd een felle, contrastrijke kop- en vleugeltekening die na de rui plaatsmaakt voor een veel valere winterkleed, waardoor dezelfde vogel in het najaar nauwelijks nog te herkennen is aan het voorjaarsbeeld. Het nest is een compacte kom, meestal laag in struiken of zelfs op de grond verstopt, en behoort tot de meest voorkomende doelen van de bruinkopkoevogel, die er ongemerkt een eigen ei tussen legt. De trek gaat bij veel soorten in één ononderbroken nachtvlucht over grote afstand, waarbij sommige populaties de Golf van Mexico in een enkele etappe oversteken.
- Kardinaalachtigen | Cardinalidae18 soortenDeze familie staat voor een deel op grond van DNA-onderzoek bij elkaar: kardinalen, dikbekken en gorzen met een zware, kegelvormige zaadkrakende snavel werden ooit gescheiden gehouden van de scharlaken tanager en zijn verwanten, die een slankere snavel voor insecten en vruchten hebben, tot genetisch onderzoek liet zien dat ze tot dezelfde familie behoren. Wat de familie wel gemeenschappelijk heeft, is een uitgesproken verschil tussen de seksen: de mannetjes zijn overwegend fel gekleurd, van dieprood tot blauw, terwijl de vrouwtjes in gedekte bruine of olijfgroene tinten gaan. Ongewoon voor zangvogels zingen bij verschillende soorten in deze familie, zoals de rode kardinaal, beide seksen, wat bijdraagt aan het verdedigen van een territorium het hele jaar door. Het nest is een losse kom van twijgen en bladstelen in een struik of lage boom, met meestal drie tot vier eieren en naakte, hulpeloze jongen.
- Tangaren | Thraupidae8 soortenWereldwijd is dit een zeer soortenrijke familie van de tropen; in dit gebied is ze schaars vertegenwoordigd, vooral op de eilanden in de Stille Oceaan, waar de vogels zijn uitgezet en zich in tuinen, parken en dorpen hebben gevestigd, en verder door enkele vogels die de uiterste zuidgrens van het vasteland bereiken. De snavelvorm loopt sterk uiteen met het voedsel: kort en kegelvormig bij de zaadeters, die grassen omlaag buigen om de aren binnen bereik te krijgen, en dun en gebogen bij de nectardrinkers, die met een aan de punt gerafelde tong nectar oplikken en de bloembasis ook wel doorprikken om erbij te komen zonder de bloem te bestuiven. Vruchten worden tegen een tak fijngedrukt, waarna het vruchtvlees wordt weggeslikt en de pitten elders vallen. Het nest is een klein, dicht gevlochten kommetje in een takvork; bij een deel van de familie is het een gesloten bol met een zij-ingang, die buiten de broedtijd ook als slaapplaats dienstdoet. De zang is voor zulke fel gekleurde vogels vaak dun, ijl en weinig melodieus, en paren blijven het hele jaar bij elkaar.