Alle soortenZangvogels › IJsgorzen en sneeuwgorzen

IJsgorzen en sneeuwgorzen | Calcariidae

Longspurs and snow buntings | Escribanos nivales y lapones

Deze vogels horen thuis in open, boomloos land, van toendra en kortgrasprairie tot kale kust, en zijn daar aan het lopen over de grond aangepast, met een lange, vrijwel rechte nagel aan de achterteen. Ze huppen niet maar stappen en schuifelen, gedrukt tegen de bodem, en zijn in dat terrein meestal pas te zien als ze opvliegen. Bij gebrek aan zangposten wordt het territorium vanuit de lucht afgebakend: het mannetje klimt zingend op en glijdt daarna met opgeheven vleugels weer omlaag. Het nest ligt in een kuil in de grond onder een pol, of in het hoge noorden diep in een rotsspleet of tussen stenen, en wordt dik met veren en haar gevoerd tegen de kou; de korte noordelijke zomer laat maar één legsel toe, dat vrijwel volledig met insecten wordt grootgebracht. In de winter leven ze van zaden op kale akkers, wegbermen en stranden, in groepen van tientallen tot honderden die laag over de grond golven en daarbij wit in vleugels en staart laten zien. Het broedkleed ontstaat niet door een rui maar door slijtage: de bruine veerpunten schuren in de loop van de winter af.

Inheemse soorten 6 soorten

Soorten die hier van nature voorkomen: broedvogels, wintergasten en doortrekkers. Ze staan per geslacht, in de volgorde van de lijst.

Calcarius 3 soorten

Plectrophenax 2 soorten

Rhynchophanes 1 soort