Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers

Reigers | Ardeidae

Herons, egrets and bitterns | Garzas y avetoros

Op de borst en flanken groeien voortdurend poederdons, kleine veren die verbrokkelen tot een fijn, waterafstotend poeder; dat wordt met de kamvormige middelste teennagel door het verenkleed gekamd om visslijm en olie te verwijderen. Enkele soorten in de familie foerageren actief in plaats van roerloos te wachten: ze roeren met een poot door de modder om verscholen prooien op te jagen, of leggen bewust een stukje brood, een veertje of een insect op het wateroppervlak als lokaas om vis dichterbij te trekken. Roerdompen wijken sterk af van de rest van de familie door hun eenzelvige, goed gecamoufleerde leven in dicht riet, waar ze bij gevaar de snavel recht omhoog steken en met hun gestreepte hals in het rietgewas opgaan. Bij veel soorten verandert de kleur van snavel, poten of de kale huid rond het oog gedurende enkele intense dagen aan het begin van de balts feller, om te vervagen zodra het paar eenmaal is gevormd.

Inheemse soorten 12 soorten

Soorten die hier van nature voorkomen: broedvogels, wintergasten en doortrekkers. Ze staan per geslacht, in de volgorde van de lijst.

Roerdompen | Botaurinae

2 soorten

Kort van poot, dik van hals en zwaar van snavel, met een verenkleed van bruin, okergeel en zwart waarin overlangse strepen de omtrek van de vogel breken tussen de rechte halmen. Ze houden zich op in oud, dicht riet en komen daar zelden uit; klimmend langs de stengels, op lange grijpende tenen, jagen ze alleen en stoten de hals vanuit een lage kromming vooruit. Bij onraad rekken ze hals en snavel loodrecht omhoog en wiegen mee met het riet, zodat de streping doorloopt in de vegetatie. Het nest is een eigen platform van geknakt riet vlak boven het water, ver van andere paren vandaan. De stem draagt kilometers ver: een diepe, holle bulder in de voorjaarsnacht.

Reigers en zilverreigers | Ardeinae

10 soorten

Lang van poot en hals, met een verenkleed dat meestal in één toon blijft: wit, grijs, blauwgrijs of roodbruin, zonder de doorlopende streping van de roerdompen. Ze jagen in het open veld, langs oevers, in ondiep water en op weiland, roerloos wachtend of stap voor stap lopend, en zijn van verre te zien; de hals blijft daarbij in de Z-knik en schiet in één beweging naar de prooi. In de broedtijd groeien lange sierveren op rug, borst en kruin en kleuren snavel, poten en teugel fel op. Ze broeden meestal in kolonies, hoog in bomen of in struweel boven water, waar de nesten dicht bijeen liggen. De stem is een schorre, rauwe kreet.

Dwaalgasten 2 soorten

Verdwaalde vogels uit andere werelddelen of van ver buiten hun gewone gebied.