Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Geelkruinkwak
Geelkruinkwak | Nyctanassa violacea
Yellow-crowned Night-Heron | Martinete coronado
De geelkruinkwak is een gedrongen, roodogige reiger die zich 's nachts en overdag specialiseert in krabben en rivierkreeften, die hij met een felle uitval en zijn zware snavel openbreekt. Zijn zwart-witte kopmasker met een crèmegele kruin is uniek onder de Noord-Amerikaanse reigers en maakt hem op elke afstand herkenbaar. Als enige levende soort van zijn geslacht deelt hij zijn naaste verwantschap alleen met een uitgestorven soort van Bermuda.
Geluid
Bij het opvliegen of bij verstoring laat de geelkruinkwak een luide, scherpe schreeuw horen, die snel een paar keer kan worden herhaald. Baltsende vogels begroeten elkaar met een zacht joep-joep en vormen een paar met een enkele, korte huh. Tijdens de baltsvlucht boven het nest veroorzaken zware, opzettelijk trage vleugelslagen een doffe, holle woemp. Jongen in het nest bedelen met een zacht tsjoe-tsjoe-tsjoe dat luider wordt naarmate ze ouder worden.
Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · Humedal La Segua, Torre de observación, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
De volwassen geelkruinkwak is wolkengrijs van lijf, met een zwarte kop, een brede witte wangvlek en een crèmegele kruin die bij opwinding tot een korte kuif overeind komt. De poten zijn oranjegeel, feller naarmate de vogel ouder is, en de zware zwarte snavel is korter en dikker dan bij de meeste reigers. Jonge vogels zijn bruin met fijne witte spikkels op rug en vleugels en een gestreepte borst, en staan rechter en steviger op hun poten dan jonge kwakken. In alle kleden is de houding gedrongen, met de nek vaak ingetrokken tussen de schouders totdat de vogel toeslaat.
Verwarringssoorten
Verreweg de grootste verwarring is met de kwak (Nycticorax nycticorax): volwassen vogels zijn te onderscheiden aan de zwarte kop met witte wang tegenover de effen zwarte kruin en rug van de kwak, maar jonge vogels van beide soorten zijn lastiger uit elkaar te houden. Een jonge geelkruinkwak staat rechter, heeft langere poten en een zwaardere snavel, en toont fijnere, scherper afgebakende witte vlekken dan de grovere, waziger spikkels van een jonge kwak. De Noord-Amerikaanse roerdomp (Botaurus lentiginosus) is bruiner gestreept over het hele lijf en mist het contrasterende kopmasker. De groene reiger (Butorides virescens) is aanzienlijk kleiner en heeft een kastanjebruine hals.
Leefgebied
De geelkruinkwak jaagt in ondiepe, vaak brakke wateren: zoutmoeras, mangrove, getijdenkreken en sloten langs de kust, waar krabben zijn voornaamste prooi zijn. Landinwaarts gebruikt hij moerasbos, beekoevers en natte akkers, waar rivierkreeften de krabben vervangen. Overdag rust hij verscholen in dichte bomen of struiken boven of naast het water, om 's nachts en in de schemering actief te worden. Open, onbeschut water zonder oeverbegroeiing mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De geelkruinkwak broedt van de Golfkust en Florida noordwaarts langs de Atlantische kust tot in het Midwesten en de noordoostelijke staten, met kleine, kwetsbare populaties aan de noordrand van dat areaal in onder meer Indiana, Illinois en Pennsylvania. In Florida en langs de Golfkust is hij het hele jaar aanwezig; noordelijke broedvogels trekken in het najaar weg naar Mexico, Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied. Buiten de Verenigde Staten broedt de soort door tot in Mexico, Midden-Amerika, het Caraïbisch gebied en langs de kust van Zuid-Amerika tot in Peru en Brazilië. Tussen 1925 en 1960 breidde het broedareaal zich geleidelijk noordwaarts uit tot aan de Canadese grens, een uitbreiding die sindsdien grotendeels standhoudt.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek de geelkruinkwak in de schemering langs een getijdenkreek of zoutmoeras, waar hij roerloos en voorovergebogen op krabben loert; opgejaagd verraadt hij zich met een scherpe schreeuw. Onder een vaste rustplaats in dichte bomen liggen vaak afgekloven krabbenscharen op de grond — een betrouwbaar teken dat de vogel daar overdag zit.
Staat van instandhouding
Wereldwijd beoordeelt de IUCN de soort als niet bedreigd (LC) en is de populatie stabiel. Aan de noordrand van het areaal ligt dat anders: staten als Indiana, Illinois, Pennsylvania en Delaware voeren de geelkruinkwak als bedreigd, Kentucky als kwetsbaar, vanwege de geringe aantallen en het verlies van moerasbos. Omdat krabben en rivierkreeften onderaan de voedselketen zware metalen en bestrijdingsmiddelen opnemen, is de soort bovendien gevoelig voor vervuiling van de wateren waarin hij jaagt.
Wetenschappelijke naam
Nyctanassa violacea | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort al in 1758 als Ardea violacea, naar de beschrijving en afbeelding van de Engelsman Catesby uit Carolina; sindsdien is ze naar een ander geslacht verhuisd, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. De Noors-Amerikaanse zoöloog Stejneger voerde het geslacht Nyctanassa pas in 1887 in, samengesteld uit het Griekse nyx, 'nacht', en anassa, 'koningin'. Het epitheton violacea is Latijn voor 'violetkleurig', hoewel het verenkleed van de geelkruinkwak eerder grijs dan paars oogt. De typelocatie is Carolina, in het zuidoosten van de Verenigde Staten.




