Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Grote zilverreiger
Grote zilverreiger | Ardea alba
Great Egret | Garceta grande
De grote zilverreiger is de witte reiger die in vrijwel elk moeras van het werelddeel te vinden is: geheel wit, met een gele snavel en zwarte poten, en met een hals die in rust in een diepe S ligt en bij het toeslaan in één beweging wordt gestrekt. Rond 1900 was hij in Noord-Amerika bijna verdwenen doordat de lange rugveren van het broedkleed op hoeden werden verwerkt. De vereniging die toen voor zijn bescherming werd opgericht, voert hem nog altijd in haar embleem.
Geluid
Meestal zwijgt hij. Wordt hij opgeschrikt, dan vliegt hij op met een laag, rauw kraa, korter en dieper dan je bij een vogel van deze bouw verwacht, en soms herhaald tot hij buiten bereik is. In de kolonie is hij spraakzamer: daar klinken hese kreten en een droog ratelend kuk-kuk-kuk bij het aankomen op het nest en bij het verjagen van een buurman. De jongen bedelen met een schor, aanhoudend geschreeuw dat ver buiten de broedbomen te horen is.
Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · Aljarafe (near Choza de Huerta Tejada), Sevilla, Andalucía, Spain · xeno-canto
Herkenning
Volwassen vogels zijn geheel wit, met een gele snavel, zwarte poten en zwarte voeten; de mondspleet loopt door tot achter het oog, op korte afstand een bruikbaar kenmerk. In de broedtijd groeien over de rug lange, ijle sierveren die tot voorbij de staart uitsteken, en kleurt de naakte huid tussen snavel en oog helder groen. Man en vrouw zijn gelijk, en jonge vogels zijn van oude niet te onderscheiden op het ontbreken van die rugveren na. Staand is de vogel ruim een meter hoog, met een lange dunne hals die tussen twee stappen roerloos in een S blijft hangen. In de vlucht ligt de hals opgevouwen tussen de schouders, steken de zwarte poten ver achter de staart uit, en slaan de brede vleugels traag en gelijkmatig.
Verwarringssoorten
De kaalkopooievaar (Mycteria americana) is even wit maar heeft een brede zwarte achterrand aan de vleugel, een kale donkergrijze kop met een aan de punt gebogen snavel, en vliegt met gestrekte hals. De witte vorm van de Amerikaanse blauwe reiger (Ardea herodias), die alleen in Zuid-Florida en op de Caraïben voorkomt, is even groot maar zwaarder gebouwd, met vaalgele in plaats van zwarte poten. De Amerikaanse kleine zilverreiger (Egretta thula) is duidelijk kleiner en heeft een zwarte snavel en gele voeten aan zwarte poten, precies omgekeerd aan deze soort. De koereiger is kort van hals en poot, houdt zich bij vee op het droge op en draagt in de broedtijd een oranje waas over kruin en rug.
Leefgebied
Ondiep water van allerlei soort: zoetwatermoeras, kwelder, mangrove, de oevers van meren en traag stromende rivieren, rijstvelden, sloten en de randen van stuwmeren. Wat hij nodig heeft is een vaste bodem om op te staan en water tot ongeveer kniehoogte, waarin hij vis, kikker en garnaal ziet liggen. Anders dan de meeste reigers jaagt hij ook in het open veld: een pas geploegde akker of een gemaaide weide vol muizen levert hem net zo goed voedsel op. Broeden doet hij in kolonies in bomen of struiken boven water, vaak samen met andere reigers, ibissen en aalscholvers, en zelden meer dan een paar kilometer van het jachtgebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In Noord-Amerika broedt hij langs de Atlantische kust van Maine zuidwaarts, door de Golfstaten, het Mississippidal en de prairiemeren tot in het zuiden van Canada, en in het westen van Oregon tot Californië; ten zuiden daarvan is hij standvogel tot ver in Zuid-Amerika. De noordelijke broedvogels trekken weg voor de winter, de zuidelijke blijven het hele jaar. Buiten Amerika komt dezelfde soort voor in Europa, Afrika, Azië en Australië, wat haar tot een van de wijdst verspreide reigers maakt. Na de bijna-uitroeiing rond 1900 heeft de soort haar hele verloren areaal heroverd en sinds de jaren zeventig noordwaarts uitgebreid: er broeden nu weer zilverreigers aan de Grote Meren en in het zuiden van Canada, waar ze een eeuw geleden ontbraken.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op een winterochtend langs een sloot of een rijstveld: dan staat hij als een witte paal in het vlakke land en is hij van kilometers ver te zien. Wie het jagen wil zien, blijft staan en wacht: de vogel loopt drie of vier trage passen, verstijft, en stoot dan met gestrekte hals toe — tussen twee pogingen kan een kwartier zitten. In het voorjaar is een gemengde reigerkolonie de beste plek; let er op de heldergroene huid tussen snavel en oog, die maar enkele weken zo gekleurd is.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst noemt de soort niet bedreigd (LC), en in Noord-Amerika is het aantal sinds de bescherming van 1918 gestaag gegroeid; de Noord-Amerikaanse broedpopulatie wordt op enkele honderdduizenden vogels geschat. De bedreiging is nu niet de jacht maar het water: drooglegging, kanalisering en het opspuiten van moerassen kosten broed- en jachtgebied, en in het zuiden van Florida zijn de kolonies nooit teruggekomen op het peil van voor de kanalen. Kwik en andere stoffen hopen zich op in een vogel die vis eet, en zijn in enkele gebieden in de eieren terug te vinden.
Wetenschappelijke naam
Ardea alba | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea alba en plaatste haar meteen in het geslacht Ardea; omdat ze daar na omzwervingen langs Egretta en Casmerodius weer in is teruggezet, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Ardea is het Latijnse woord voor reiger, en tegelijk de naam van de stad Ardea in Latium. alba betekent 'wit'. Als typelocatie geldt Europa: Linnaeus kende de vogel van dat vasteland en niet uit Amerika, al gaat het om dezelfde soort.




