Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Koereiger
Koereiger | Ardea ibis
Cattle Egret | Garcilla bueyera
De koereiger is een gedrongen, korthalzige reiger die zelden in het water te vinden is: hij loopt tussen grazend vee en landbouwmachines en pikt insecten op die worden opgejaagd. Hij is een van de weinige reigers die zich niet aan water bindt, en een van de weinige vogels die zich in nog geen honderd jaar zelfstandig, zonder hulp van de mens, over een heel werelddeel heeft verspreid. In broedkleed krijgt hij een waas van okergeel op kruin, borst en rug, daarbuiten is hij zuiver wit.
Geluid
Buiten de kolonie is de koereiger vrijwel stil. Bij het nest klinkt een zacht, keelachtig rik-rak, herhaald tussen de partners bij het overdragen van nestmateriaal of bij een confrontatie met een buur. Baltsende vogels laten daarnaast korte, schorre keelgeluiden horen terwijl ze met de kop knikken en de sierveren tonen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
In rustkleed is de koereiger geheel wit, met een korte, dikke gele snavel, een korte, dikke hals en een compacte, wat bolle lichaamsbouw die hem duidelijk onderscheidt van de slanke zilverreigers. In broedkleed kleuren kruin, borst en rug okergeel tot oranjeachtig, verkleurt de snavel naar koraalrood met een blauwachtige basis, en gaan de poten van geel naar donkerrood. Jonge vogels zijn zuiver wit met een gele snavel en donkere poten, nauwelijks te onderscheiden van de volwassen vogel buiten het broedseizoen. De korte hals en dikke snavel geven ook in de vlucht houvast, waarin hij met ingetrokken hals en snelle, wat stijve vleugelslagen vliegt.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse kleine zilverreiger (Egretta thula) heeft een lange, dunne zwarte snavel en opvallend gele voeten aan zwarte poten, tegenover de korte gele snavel en de donkere tot vleeskleurige poten van de koereiger. Jonge kleine blauwe reiger (E. caerulea) is eveneens wit maar heeft een grijsblauwe snavelpunt en groengele poten, en is slanker gebouwd met een dunnere hals. De Amerikaanse zilverreiger is aanzienlijk groter, met een lange gele snavel en een veel langere, slangachtige hals — bij twijfel is de gedrongen, korthalzige bouw van de koereiger op elke afstand het snelste kenmerk.
Leefgebied
Anders dan de meeste reigers zoekt de koereiger juist droog land op: grasland, weiland met vee, akkers na het ploegen en vochtige weides, waar hij insecten vangt die door grazende dieren of landbouwmachines worden opgejaagd. Water gebruikt hij vooral om te broeden, meestal in gemengde kolonies in bomen en struiken boven of naast moeras. Hij vermijdt dicht bos en woestijn zonder vee of irrigatie, maar overigens is hij een van de minst kieskeurige reigers wat leefgebied betreft.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Oorspronkelijk een soort van Afrika en zuidelijk Azië, stak de koereiger rond 1877 uit eigen beweging de Atlantische Oceaan over naar de Guyana's, vestigde zich daar in de jaren dertig van de twintigste eeuw, en werd in 1941 voor het eerst in Florida gezien. Het eerste broedgeval in Noord-Amerika volgde in 1953 bij Lake Okeechobee, Florida, waarna de soort zich in enkele decennia over vrijwel het hele continent verspreidde, met een eerste broedgeval in Canada in 1962 en een areaal dat inmiddels van de oostkust tot Californië reikt. Noordelijke broedvogels trekken in de winter weg naar het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico, Midden-Amerika en de Grote Antillen; in Florida, langs de Golfkust en in delen van Californië blijven vogels het hele jaar.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek de koereiger niet aan het water maar in de wei: hij is de enige witte reiger die je tussen grazende koeien of paarden aantreft, vaak op de rug van het dier of er vlak naast. Vlak na het ploegen van een akker verzamelen zich soms tientallen vogels tegelijk, wat de soort tot een van de makkelijkst te vinden reigers van het binnenland maakt.
Staat van instandhouding
De internationale Rode Lijst heeft de koereiger nog niet los van het voormalige geslacht Bubulcus beoordeeld (NE); als Bubulcus ibis gold de soort met een wereldpopulatie van 3,8 tot 6,7 miljoen vogels als niet bedreigd, zonder aanwijzingen voor een recente afname. In delen van zijn nieuwe areaal wordt de koereiger juist als agressieve kolonisator gezien, met gevolgen voor de vliegveiligheid en als mogelijke verspreider van door teken overgedragen ziekten bij vee.
Wetenschappelijke naam
Ardea ibis | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea Ibis; anders dan de meeste reigers die van geslacht wisselden, staat er geen haakje om auteur en jaartal, want recent DNA-onderzoek plaatste de soort terug in Ardea, na twee eeuwen als eigen geslacht Bubulcus, Latijn voor 'ossenhoeder', te hebben gegolden. Het epitheton ibis is ontleend aan de heilige ibis van het oude Egypte, waarmee de koereiger ten onrechte werd verward — de twee delen geen naaste verwantschap. De typelocatie is Egypte, naar het gebied waar Linnaeus zijn beschrijving op baseerde.




