Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars
Ibissen en lepelaars | Threskiornithidae
Ibises and spoonbills | Ibis y espátulas
Twee snavelvormen dienen hetzelfde doel: voedsel vinden dat niet te zien is. De lange, gebogen snavel wordt diep in modder of natte bodem gestoken en tast daar met een zeer gevoelige punt naar kreeftachtigen, wormen en insectenlarven; de platte snavel, aan het eind tot een spatel verbreed, wordt half open zijwaarts door ondiep water gemaaid en klapt dicht zodra er iets tegenaan komt. Beide maken het mogelijk om ook in troebel water en in het donker te foerageren. In de vlucht blijft de hals gestrekt in plaats van ingetrokken, met snelle slagen afgewisseld door korte glijvluchten, vaak in linie achter elkaar. Er wordt gebroed in gemengde kolonies, op een platform van takken in struiken, bomen of riet, waar beide ouders om beurten bebroeden en de jongen hun snavel diep in de keel van de ouder steken. Buiten de kolonie zijn deze vogels stil; daarbinnen klinkt gegrom, geknor en het klepperen van snavels.
Inheemse soorten 4 soorten
Soorten die hier van nature voorkomen: broedvogels, wintergasten en doortrekkers. Ze staan per geslacht, in de volgorde van de lijst.
Eudocimus 1 soort
Plegadis 2 soorten











