Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Witmaskeribis

Witmaskeribis | Plegadis chihi

White-faced Ibis | Morito Cariblanco

De witmaskeribis is een donkere, glimmend kastanjebruine ibis van moerassen in het westen van Noord-Amerika, met een lange, neerwaarts gebogen snavel waarmee hij door slik en modder tast. In broedkleed krijgt hij een smal wit verenrandje rond een naakte roze snavelbasis en een dieprood oog, het kenmerk waaraan hij zijn naam dankt. Grote kolonies broeden op geïsoleerde moeraseilandjes, vaak ver van de dichtstbijzijnde stad.

Witmaskeribis (Plegadis chihi)
Foto: Keenanhye — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie is de witmaskeribis grotendeels stil; wat er te horen is klinkt vooral rond het nest. Baltsende en terugkerende vogels stoten een zacht, grommend oink uit, herhaald tussen partners en tussen ouder en jong. Bij onraad of onderling geruzie in de kolonie klinkt een langgerekt, nasaal gjieeee, en mannetjes die terugkeren naar het nest laten een vergelijkbaar, herhaald gjieek horen. Van veraf is een kolonie dan ook eerder te herkennen aan een laag, aanhoudend gemompel dan aan een duidelijk lied.

Luister: RoepXC751188

Opname: Franco Vushurovich — CC BY-NC-SA 4.0 · Victoria, Entre Ríos, Argentina · xeno-canto

Herkenning

Volwassen vogels zijn op afstand donker en enigszins glimmend, van dichtbij een weelde aan paars, groen en brons op een kastanjebruine ondergrond. In broedkleed omzoomt een smal wit veertje de kale, roze snavelbasis en is het oog helder robijnrood; buiten het broedseizoen ontbreekt dat witte randje en is de huid rond de snavel dof grijsbruin. De lange, gelijkmatig neerwaarts gebogen bruin-grijze snavel en de lange, dunne poten geven het silhouet, zowel staand als in de rechte, snelle vlucht met de nek gestrekt. Onvolwassen vogels zijn doffer bruin, zonder de kleurenglans van de volwassen vogel en met een grauwer gezicht.

Verwarrings­soorten

Verreweg de grootste verwarring is met de zwarte ibis (Plegadis falcinellus): in eclipskleed en als juveniel zijn beide soorten vrijwel niet te onderscheiden, en pas het broedkleed geeft houvast — de zwarte ibis heeft een blauwgrijze snavelbasis zonder wit randje en een donker, bruin oog in plaats van rood. Waar de arealen elkaar overlappen, met name langs de Golfkust, broeden beide soorten soms in dezelfde kolonie en zijn zelfs gemengde paren vastgesteld. Onvolwassen witte ibissen (Eudocimus albus) hebben een vergelijkbaar bruin jeugdkleed en dezelfde neerwaarts gebogen snavel, maar krijgen al snel een witte buik waaraan ze te onderscheiden zijn.

Leefgebied

De witmaskeribis zoekt ondiepe, sterk begroeide zoetwater- en brakwatermoerassen met riet, lisdodde of bies, het liefst met een mozaïek van open water en dichte vegetatie om in te broeden. Buiten het broedseizoen foerageert hij minstens zo vaak op natte akkers — overstroomde rijstvelden en beregende luzernevelden zijn voor de soort inmiddels bijna een tweede leefgebied — en langs de rand van ondiepe, zilte meren. Hij mijdt diep, open water en gesloten bos, en broedkolonies verschuiven jaar op jaar mee met de waterstand: na een natte winter duiken ze op in tijdelijk ondergelopen terrein dat het jaar ervoor droog lag.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Oregon en het bekken van de Grote Zoutmeren tot in Californië, Nevada, Arizona, New Mexico en de Great Plains, met een tweede, aparte kern van kolonies aan de Golfkust van Louisiana en Texas; daarnaast broedt hij lokaal in het binnenland van Mexico. Zuid-Californië en de kuststreken van Texas en Louisiana houden het hele jaar vogels; noordelijke broedvogels trekken in de winter naar het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico. Los van de Noord-Amerikaanse populatie broedt de soort ook in Zuid-Amerika, tot in het zuidwesten van Brazilië en Midden-Argentinië — de typelocatie van de wetenschappelijke naam ligt zelfs in Argentinië. Twintigste-eeuwse vervolging en het gebruik van DDT drukten de aantallen sterk, maar sinds het verbod op dat middel in 1972 breidt het areaal weer uit, met broedgevallen die inmiddels ook oostelijker in de Verenigde Staten opduiken.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek moerasgebieden in het westen van de Verenigde Staten in het voorjaar, wanneer de kolonies actief zijn en groepen boven het riet heen en weer vliegen tussen nest en voedselplek. Vergelijk snavelbasis en oog van iedere groep zorgvuldig voor je een zwarte ibis uitsluit — in de Golfstaten is dat verre van vanzelfsprekend. Laaghangend ochtendlicht laat de kastanjebruine glans het best zien; in fel middaglicht oogt de vogel al snel gewoon zwart.

Staat van instandhouding

De populatie is groot — ruim een miljoen vogels — en groeit al decennia, mede dankzij het verbod op DDT in 1972 en het herstel van moerasgebieden. De IUCN beoordeelt de soort daarom als niet bedreigd (LC). Resterende risico's zijn waterschaarste en de omzetting van moeras in landbouwgrond in het westen van de Verenigde Staten, waar veel kolonies afhankelijk zijn van jaarlijks wisselende waterpeilen.

Wetenschappelijke naam

Plegadis chihi | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Numenius chihi, bij de wulpen — een begrijpelijke vergissing, want de lange, neerwaarts gebogen snavel doet sterk aan die groep denken. Omdat de soort sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Kaup voerde het geslacht Plegadis in 1829 in; de naam komt van het Griekse plegas, 'sikkel', naar de gebogen snavel van alle ibissen in dit geslacht. De typelocatie ligt in Paraguay en de campos bij Buenos Aires, Argentinië — ver buiten het Noord-Amerikaanse areaal dat in deze gids wordt behandeld; de herkomst van het epitheton chihi zelf is niet met zekerheid vastgesteld.