Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Rode lepelaar
Rode lepelaar | Platalea ajaja
Roseate Spoonbill | Espátula rosada
Een roze waadvogel met een kale, groenige kop en een grijze snavel die aan het eind tot een spatel is uitgeslagen, waarmee hij half geopend door ondiep water maait. Het roze komt uit het voedsel: garnalen en andere kreeftachtigen leveren de kleurstoffen. Rond 1900 was hij in Florida bijna verdwenen omdat zijn vleugels tot waaiers werden verwerkt; het herstel daarna is een van de duidelijkste uit de Amerikaanse vogelbescherming.
Geluid
Buiten de kolonie zwijgt hij vrijwel. Op de broedplaats klinkt een laag, keelachtig hu-hu-hu, een schor gekras bij aankomst en vertrek, en het droge klepperen van snavels tussen buren. Jongen bedelen met een hoog, piepend geratel dat uit de mangrove opstijgt zodra een ouder invalt. Wie langs een kolonie vaart hoort dat gerommel en niets wat op zang lijkt.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · River Lakes Conservation Area near Viera, Brevard Co, Florida, United States · xeno-canto
Herkenning
Volwassen vogels zijn wit op hals en rug en verder roze, met een karmijnrode schouderstreep en staartdekveren, een oranje staart en rode ogen; de kop is onbevederd en groenig, en de blauwgrijze snavel loopt aan het eind uit in een lepel. Jonge vogels zijn veel bleker, bijna wit met een roze waas, hebben een bevederde witte kop en een geelachtige snavel, en kleuren pas in drie jaar uit. De poten zijn lang en roodroze; in ondiep water loopt hij langzaam vooruit terwijl hij de half geopende snavel in bogen door het water zwaait. In de vlucht is de hals gestrekt en de snavel zichtbaar zwaar, met slagen afgewisseld door glijden, vaak in linie achter elkaar.
Verwarringssoorten
De rode flamingo (Phoenicopterus ruber) is de enige andere grote roze vogel van deze kusten, maar veel groter, met een lange hals en een naar beneden geknikte snavel, en in de vlucht steken hals en poten veel verder uit. Jonge lepelaars worden vaak voor de witte ibis (Eudocimus albus) aangezien: die heeft een lange, gelijkmatig gebogen snavel en zwarte vleugelpunten. Op grote afstand kan een groep lepelaars voor ibissen doorgaan tot de snavel te zien is — dat is één kenmerk, maar het beslist de zaak.
Leefgebied
Ondiep, rustig water boven een zachte bodem: mangrovebaaien, lagunes, kwelders, getijdenkreken en slikplaten, en landinwaarts zoetwatermoeras en ondergelopen weiden. Hij maait bij voorkeur in water dat niet dieper is dan een handbreedte, waar zijn snavel de bodem raakt. Slapen en broeden gebeurt in bomen en struiken vlak boven het water, vooral in rode mangrove en wilg. Diep open water en snelstromende rivieren gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Aan de Golfkust van de Verenigde Staten is hij in Texas, Louisiana en Florida het hele jaar aanwezig, en sinds de jaren negentig breidt hij noordwaarts uit naar Georgia en South Carolina; zwervers halen in de nazomer geregeld veel verder. Verder zit hij langs beide kusten van Mexico, door Midden-Amerika en op Cuba, de Bahama's en Hispaniola, en zuidwaarts tot in Argentinië, dat buiten deze kaart valt. Na de broedtijd zwerven de vogels breed uit voordat ze naar de kolonies terugkeren; echte trek kent de soort niet. De noordwaartse uitbreiding van de laatste dertig jaar valt samen met zachtere winters en met de teruggang van de kolonies in Florida Bay.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem twee uur voor of na laagwater in een ondiepe getijdenkreek of een lagune: dan staat het water precies goed om te maaien en zijn de vogels aan het werk in plaats van aan het rusten. Het beste licht is vroeg in de ochtend en laat in de middag, wanneer het roze oplicht en het rood op de schouder te zien is. Kolonies zijn gevoelig voor verstoring: kijk vanaf het water of vanaf een pad op afstand en ga er niet in.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met naar schatting 170.000 vogels wereldwijd en in Noord-Amerika een toename van bijna zes procent per jaar tussen 1966 en 2019. Dat cijfer verbergt een oude ineenstorting: in de negentiende eeuw werden de kolonies leeggeschoten voor de verenhandel — de vleugels gingen als waaiers over de toonbank — en in de jaren dertig waren er in Florida Bay nog vijf broedparen over. Na de bescherming en de instelling van Everglades National Park in 1947 groeide dat tot 1.260 paren in 1979, waarna het waterbeheer van Zuid-Florida het weer omlaag bracht: in het seizoen 2010/11 werden er 87 nesten geteld. De soort als geheel is intussen wijdverbreid en talrijk; kwetsbaar blijft de kolonie in Florida Bay.
Wetenschappelijke naam
Platalea ajaja | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Platalea Ajaja, met het epitheton nog met een hoofdletter; omdat ze nooit uit dat geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Platalea is bij Plinius de Latijnse naam van de lepelaar, te herleiden op het Griekse platys, 'breed', naar de snavel. ajaja komt uit het Tupi, de taal van de Braziliaanse kust, waar de vogel ajajá heette. Linnaeus gaf als vindplaats 'in America australi'; Berlepsch legde die in 1908 vast op de Rio São Francisco in Oost-Brazilië.




