Alle soorten › Pelikaanachtigen › Pelikanen › Amerikaanse witte pelikaan
Amerikaanse witte pelikaan | Pelecanus erythrorhynchos
American White Pelican | Pelícano norteamericano
De Amerikaanse witte pelikaan is met bijna drie meter spanwijdte een van de grootste vogels van het werelddeel: spierwit, met een oranje snavel van bijna een halve meter en zwarte slagpennen die pas in de vlucht te zien zijn. Hij broedt op kale eilandjes in ondiepe binnenmeren en overwintert aan de kusten en op de stuwmeren van het zuiden. In de broedtijd groeit bij beide geslachten een hoornplaat op de bovensnavel, die na het leggen weer afvalt.
Geluid
Buiten de kolonie zwijgt hij: een groep die overvliegt of op het water rust maakt geen geluid dat verder draagt dan een paar meter. Op de broedeilanden grommen de oude vogels laag en hees, een keelklank als een gesmoord èh, meestal bij het landen of bij onenigheid over een nestplaats. De jongen bedelen met een aanhoudend hoog gejengel dat over het water draagt en meer aan een big doet denken dan aan een vogel. In de winter hoor je hoogstens het klappen van snavels en het geklater waarmee de vissende vogels hun prooi bijeendrijven.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Volwassen vogels zijn geheel wit, met zwarte handpennen en handpendekveren die in de vlucht een brede zwarte achterrand aan de vleugel vormen en op de zittende vogel vrijwel verborgen blijven. De snavel is oranje, recht, plat en enorm, met eronder een rekbare keelzak; in de broedtijd wordt het oranje feller, staat er een hoornplaat op de bovensnavel en krijgen kruin en borst een gele waas. Man en vrouw zijn gelijk getekend; het mannetje is groter en heeft een langere snavel. Jonge vogels dragen een grauwe waas over kop en vleugeldekveren en hebben een dofgrijze snavel. In de vlucht ligt de kop diep tussen de schouders met de snavel op de borst; groepen vliegen in lijn of in een V en draaien tegelijk, zodat de hele rij afwisselend wit oplicht en donker wegvalt.
Verwarringssoorten
De kaalkopooievaar (Mycteria americana) zweeft in dezelfde thermiek en is even wit met zwart in de vleugel, maar is slanker gebouwd, houdt hals en poten gestrekt en draagt een kale donkergrijze kop met een aan de punt gebogen snavel — de pelikaan trekt de kop juist tussen de schouders. De bruine pelikaan (Pelecanus occidentalis) heeft dezelfde bouw en dezelfde snavel maar is grijsbruin, blijft aan zee en stort zich van hoogte in het water; deze soort duikt nooit. De grote zilverreiger (Ardea alba) is even wit maar veel slanker, heeft geen zwart in de vleugel en vliegt met de hals in een S. Op grote afstand lijkt een zwevende groep op zwanen of sneeuwganzen, tot je ziet dat het zwart tot de achterrand van de vleugel beperkt blijft.
Leefgebied
In de broedtijd hoort hij bij ondiepe, voedselrijke binnenmeren met kale eilandjes: prairiemeren, alkalimeren en stuwmeren waar het water hoog genoeg staat om een coyote of een vos van de kolonie te houden. Gevist wordt vaak tientallen kilometers verderop, in ondiepe baaien, moerassen en traag stromende rivieren; anders dan de bruine pelikaan pakt hij zijn vis zwemmend, met kop en snavel onder water. In de winter verschuift hij naar estuaria, lagunes, stuwmeren en viskweekvijvers langs de Golf van Mexico en de Stille Oceaan. Open zee mijdt hij, en diep water ook: waar hij niet drijvend bij de bodem of bij de school kan, komt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in het binnenland van het westen en de prairies, van het zuiden van de Northwest Territories en het midden van British Columbia oostwaarts tot in west-Ontario en zuidwaarts tot in Californië, Nevada, Utah en Colorado; de kolonies zijn weinig in getal en liggen ver uit elkaar. Na het broeden trekt vrijwel de hele populatie zuidwaarts, naar de kusten van Californië, Texas en Florida, naar beide kusten van Mexico en tot in Guatemala, El Salvador en Honduras. Op de trek volgt hij de rivierdalen van de Great Plains en verschijnt hij boven stuwmeren waar hij de rest van het jaar ontbreekt. In de eerste helft van de twintigste eeuw liepen de kolonies leeg door vervolging, het droogleggen van prairiemeren en later door DDT; sinds de jaren zeventig neemt de soort weer toe, met nieuwe kolonies tot in Minnesota en Wisconsin.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op een winterochtend op een ondiepe baai of een stuwmeer: dan vormen tien tot twintig vogels een halve boog en zwemmen ze zij aan zij naar de oever, om op hetzelfde moment de snavels in het water te steken. Midden op de dag zijn ze vaker in de lucht dan op het water; let dan op een hoge, trage draaiende kolom die wit oplicht en bij het kantelen uit het zicht verdwijnt. Van onderaf is de zwarte achterrand van de vleugel het enige kenmerk dat op afstand zeker blijft.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst noemt de soort niet bedreigd en het aantal neemt sinds de jaren zeventig toe; de broedpopulatie wordt op ongeveer 180.000 vogels geschat. Omdat bijna alles op enkele tientallen kolonies is geconcentreerd, telt elke kolonie zwaar: één meer dat droogvalt, één vos die het eiland bereikt of één verstoring op het verkeerde moment kost een heel broedseizoen. Botulisme in ondiepe, warme meren kost jaarlijks vogels, en waar de trek langs viskwekerijen voert worden pelikanen nog altijd gedood.
Wetenschappelijke naam
Pelecanus erythrorhynchos | Gmelin, 1789
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Pelecanus erythrorhynchos; omdat ze sindsdien in dat geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Pelecanus is het Latijnse woord voor pelikaan, ontleend aan het Griekse pelekan. erythrorhynchos is samengesteld uit het Griekse eruthros, 'rood', en rhunkhos, 'snavel', naar de oranjerode snavel die in de broedtijd het felst gekleurd is. Gmelin steunde op de beschrijving die John Latham van de vogel had gegeven; als typelocatie geldt daarom Noord-Amerika, bij Latham nader aangeduid als Hudson Bay en New York.




