Alle soorten › Genten en aalscholvers

Genten en aalscholvers | Suliformes

Gannets and cormorants | Alcatraces y cormoranes

Dit zijn viseters van kust en open zee, waarbij alle vier de tenen — niet alleen de drie voorste — door een zwemvlies zijn verbonden. Het zijn forse vogels met een lange snavel, een lange hals en lange, brede vleugels waarmee ze over zee grote afstanden afleggen; de prooi wordt op zicht gevangen en in zijn geheel doorgeslikt. Het verenkleed is bij een deel van de orde minder waterafstotend dan bij de meeste watervogels, waardoor die vogels na het vissen met gespreide vleugels staan te drogen. Ze broeden kolonievormig op eilanden, klifranden en in bomen langs het water, met een klein legsel, en de naakte jongen zijn nestblijvers die door beide ouders worden gevoerd, nog lang nadat ze zijn uitgevlogen.

Families in deze orde

  • Fregatvogels | Fregatidae2 soortenHet verenkleed is nauwelijks waterafstotend en de pootjes zijn te klein om mee te zwemmen of om vanaf water op te stijgen; alles moet daarom in de lucht gebeuren. Vliegende vissen en inktvissen worden in scherende vlucht van het oppervlak gegrist zonder dat de vogel nat wordt, en andere zeevogels worden zo lang achtervolgd en aan staart of vleugel getrokken tot ze hun vangst loslaten, die in de val wordt opgevangen. Door een zeer groot vleugeloppervlak bij een licht lichaam kunnen ze dagenlang op thermiek zeilen en ver op zee in de vlucht overnachten. Het nest is een slordig platform van takjes in een lage struik op een eiland; het mannetje blaast daar wekenlang een felrode keelzak op tot een ballon en laat er met wijd gespreide vleugels een ratelend getrommel bij horen. Er wordt één jong grootgebracht, dat zo lang afhankelijk blijft dat een paar niet elk jaar tot broeden komt.
  • Genten | Sulidae7 soortenDeze zeevogels jagen door met halfgevouwen vleugels vanaf grote hoogte als een pijl het water in te storten; vlak voor de inslag klappen de vleugels helemaal tegen het lichaam en zwemt de vogel de vis er soms nog metersdiep achterna. Luchtzakjes onder de huid van hals en borst vangen de klap op, de neusgaten zijn dichtgegroeid — er wordt door de mondhoeken geademd — en de naar voren gerichte ogen geven het diepzicht dat nodig is om een school vis te schatten. Een broedvlek ontbreekt: het ei wordt warm gehouden onder de sterk doorbloede zwemvliezen, waar de vogel op gaat staan. Het nest ligt in dichte kolonies op klifranden of vlakke eilanden, een hoopje wier en uitwerpselen dat het paar bij elke terugkeer bevestigt met een uitvoerige begroeting van schermende snavels en hemelwaarts wijzen. Op zee zijn ze zwijgzaam; in de kolonie klinkt dag en nacht een hard, rauw geknor.
  • Slangenhalsvogels | Anhingidae1 soortDe snavel is recht en loopt uit in een scherpe punt, zonder haak: de vis wordt niet gegrepen maar doorboord. In de hals zitten enkele wervels met een vaste knik en een spierslinger die als een gespannen veer werkt, waardoor de kop met een plotselinge stoot naar voren schiet. Het verenkleed zuigt zich vol en de botten zijn zwaar, zodat de vogel diep en traag zwemt, vaak met alleen de dunne, kronkelende hals boven water terwijl het lichaam onzichtbaar blijft. De staart is lang, breed en waaiervormig, met dwarsribbels op de buitenste pennen; hij dient onder water als roer en in de lucht als draagvlak, want op warme uren cirkelen deze vogels met gespreide staart hoog op thermiek in plaats van met gestage slag laag over het water te trekken. Ze leven aan zoet, stil of traag stromend water met veel begroeiing, niet aan zee. Mannetje en vrouwtje zijn verschillend gekleurd. Het nest is een takkenplatform in een boom boven het water, vaak tussen broedende reigers en ibissen; daar klinkt een snel ratelend geklik, maar buiten de kolonie zwijgt de vogel.
  • Aalscholvers | Phalacrocoracidae6 soortenOm een gevangen vis in zijn geheel door te kunnen slikken, gooit de aalscholver hem eerst met een schudbeweging van de kop los in de lucht en vangt hem opnieuw op, zodat hij met de kop naar voren naar binnen glijdt in plaats van dwars te blijven steken. Via de onbevederde keelhuid, die als koelsysteem werkt, verliezen de vogels op hete dagen overtollige warmte door de huid snel te laten trillen, een mechanisme dat ook bij reigers en pelikanen voorkomt maar bij aalscholvers goed zichtbaar is doordat de keelzak vaak zichtbaar bloot blijft. Kort voor en tijdens het broedseizoen krijgen sommige soorten tijdelijke sierveren op de kop of romp die na de paartijd weer verdwijnen, en in de kolonie wordt nestmateriaal geregeld van een naburig, onbewaakt nest gestolen in plaats van zelf verzameld. De eieren hebben een dunne, ruwe, kalkachtige buitenlaag over een blauwgroene ondergrond die na een paar dagen broeden vaak al bevuild en verkleurd is.