Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen

Eenden, ganzen en zwanen | Anatidae

Ducks, swans and geese | Patos, gansos y cisnes

Binnen de familie is de snavel sterk verschillend gevormd naar dieet: bij grondelende eenden zeeft hij water aan het oppervlak, bij ganzen is de rand tot een grove kartelrand omgebouwd om gras af te knippen, en bij zaagbekken is hij smal en van weerhaakjes voorzien om gladde vis vast te houden. Duikeenden en zaagbekken jagen actief onder water, voortgestuwd door de poten, terwijl grondelende eenden aan het oppervlak blijven en alleen ondersteboven naar voedsel reiken. Zwanen en ganzen vormen doorgaans een levenslange paarband waarbij beide ouders de jongen begeleiden, terwijl bij de meeste eenden het mannetje na de paring vertrekt, in een schuw, onopvallend zomerkleed vervalt en het vrouwtje er alleen voor staat. Sommige soorten broeden niet op de grond maar in een boomholte, waar de pas uitgekomen kuikens zich al na een dag naar beneden laten vallen om hun ouder te volgen.

Inheemse soorten 48 soorten

Soorten die hier van nature voorkomen: broedvogels, wintergasten en doortrekkers. Ze staan per geslacht, in de volgorde van de lijst.

Fluiteenden | Dendrocygninae

2 soorten

Lange poten en een lange hals geven deze eenden een rechtopstaande, licht gebogen houding, heel anders dan de lage, horizontale bouw van de meeste andere eenden. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk gekleurd, en het mannetje helpt mee met het bouwen van het nest en het bebroeden van de eieren. De onderkant van de vleugel is grotendeels zwart, vooral zichtbaar in de vlucht. Ze zijn vernoemd naar hun fluitende roep, die ze zowel vliegend als zittend laten horen, en trekken in groepen tussen de foerageerplaats overdag en een gezamenlijke slaapplaats 's nachts. De groep komt wereldwijd voor in de tropen en subtropen, op dit continent onder meer in de Caraïben en Zuid-Amerika.

Zwanen en ganzen | Anserinae

10 soorten

Dit zijn de grootste leden van de familie: fors gebouwd, met een lange hals en een korte, hoge snavel waarvan de snijranden fijn gezaagd zijn om gras af te knippen. De poten staan ver naar voren onder het lichaam, zodat ze gemakkelijk lopen en in groepen op akkers en graslanden grazen; van het water komen ze zonder aanloop omhoog, op een paar krachtige slagen. Man en vrouw dragen hetzelfde kleed en een eclipskleed ontbreekt. Paren blijven jaar na jaar bij elkaar en de jongen trekken de eerste winter met hun ouders mee, zodat een groep in de lucht vaak uit families bestaat: in linies of in een V, luid roepend, op trage diepe vleugelslagen. In de zomer verliezen ze al hun slagpennen tegelijk en zijn ze weken vleugellam.

Grondeleenden en duikeenden | Anatinae

20 soorten

Dit is de grootste van de ondergroepen, en in het veld valt ze in twee helften uiteen. De grondeleenden blijven aan de oppervlakte: ze zeven met een brede, platte snavel die van binnen langs de rand fijn gelamelleerd is, en gaan in ondiep water met de staart omhoog kopje-onder. Hun poten staan midden onder het lichaam, zodat ze behoorlijk lopen en recht van het water opspringen, waarbij de gekleurde spiegel op de vleugel oplicht. De duikeenden verdwijnen wel onder water; hun poten staan verder naar achteren, ze liggen dieper met de staart op het water en moeten met kletterende poten een aanloop nemen. Mannetjes zijn bont gekleurd, vrouwtjes bruin gevlekt; de paarband duurt één seizoen en het mannetje wisselt al voor het uitkomen naar een dof eclipskleed.

Anas 7 soorten

Zee-eenden en zaagbekken | Merginae

15 soorten

Zware, gedrongen eenden van koud zeewater en snelstromende rivieren. Ze duiken vanaf de oppervlakte, meestal met een klein sprongetje vooruit, en blijven soms een halve minuut of langer weg. De ver naar achteren geplaatste poten duwen krachtig onder water, maar maken het lopen op het land onhandig en rechtop, zodat ze liever drijvend rusten dan op de oever. Opvliegen vraagt een aanloop over het water; daarna gaan ze laag en snel in lange linies vlak boven de golven. De snavel volgt het voedsel: breed en wigvormig om schelpen te kraken bij de eiders en de zee-eenden, lang en smal bij de zaagbekken, met naar achteren gerichte hoorntanden en een haaknagel die een glibberige vis vasthouden. Mannetjes zijn scherp zwart-wit getekend, vrouwtjes bruin met een lichtere keel.

Stekelstaarteenden | Oxyurinae

1 soort

Kleine, gedrongen eenden met een dikke hals, een grote kop en bij het mannetje in het voorjaar een opvallend brede, hemelsblauwe snavel. Het zekerste kenmerk is de staart: smalle, stijve veren die plat op het water liggen of als een waaier recht omhoog worden gezet. De poten zitten helemaal achteraan het lichaam; daarmee duiken en zwemmen ze uitstekend, maar op het land komen ze nauwelijks vooruit en schuiven ze op hun buik. Ze verlaten het water dan ook zelden, en bij gevaar zakken ze geruisloos weg in plaats van op te vliegen. Opstijgen kost een lange spetterende aanloop en de vlucht is laag en snorrend op korte vleugels. Hun voedsel halen ze duikend van de bodem van ondiepe meren, waar ze de modder door de snavel zeven.

Exoten 2 soorten

Soorten die hier van nature niet voorkomen maar zijn ingevoerd of ontsnapt en zich sindsdien handhaven. Ze staan op volgorde van de lijst, niet per geslacht.

Dwaalgasten 16 soorten

Verdwaalde vogels uit andere werelddelen of van ver buiten hun gewone gebied.