Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Taigarietgans
Taigarietgans | Anser fabalis
Taiga Bean-Goose | Ánsar campestre de la taiga
De taigarietgans broedt in vochtige moerassen en aan meren in de naaldwouden van het noorden van Europa tot Oost-Siberië en overwintert normaal in West- en Oost-Europa en Oost-Azië. In Noord-Amerika is hij, net als de nauw verwante toendrarietgans, een schaarse dwaalgast die vooral in het voorjaar op de eilanden van de Beringzee wordt gezien. Zijn lange hals en de lange, geleidelijk aflopende snavel met veel oranje geven hem een slanker voorkomen dan zijn toendrasoortgenoot.
Geluid
De roep is een diep, langgerekt gehonk dat naar het eind toe iets in toonhoogte stijgt: een herhaald, resonerend oenk-oenk. Bij onrust of tijdens het opvliegen klinkt een kortere, hardere reeks van twee of drie noten. De roep draagt ver over open terrein en is doorgaans het eerste signaal van een overtrekkende troep, ook 's nachts. Tussen foeragerende vogels onderling klinkt een zachter, mompelend geluid.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Ivalo, Finland · xeno-canto
Herkenning
Een grote, langhalzige grauwe gans met een donkerbruine kop en bovenhals die geleidelijk overgaat in een lichter bruine borst en flanken met vage lichte veerzomen. De snavel is lang, met een rechte tot licht holle ondersnavel, en draagt een uitgebreide, wisselend gevormde oranje band tussen zwarte basis en zwarte top. De poten zijn oranje. Beide geslachten zijn gelijk, het mannetje merkbaar groter en zwaarder. In de vlucht oogt de soort slank met een relatief lange hals en gelijkmatige, diepe vleugelslagen.
Verwarringssoorten
De toendrarietgans (Anser serrirostris) lijkt het meest op deze soort: die heeft een kortere, hogere snavel met een smal, scherp begrensd oranje bandje in plaats van een uitgebreid en vager begrensd oranje vlak, en een kortere hals. De grauwe gans (Anser anser) is bleker en grijzer met een geheel oranje tot roze snavel zonder zwart. De kolgans (Anser albifrons) mist het zwart-oranje snavelpatroon geheel en toont bij volwassen vogels een witte bles. Vogels van de oostelijke ondersoort middendorffii, die het vaakst in Alaska verschijnt, zijn nog groter en donkerder dan de Europese vogels en worden daardoor soms voor een grauwe gans aangezien.
Leefgebied
Broedt in en rond de moerassen, venen en meren van de taiga, van open veenmoeras tot de rand van naaldbos, waar de nesten tussen lage begroeiing bij water liggen. Buiten het broedseizoen zoekt hij akkerland, natte weilanden en moerassen, vaak samen met andere grauwe ganzen, en slaapt op meren of beschutte riviermondingen. Dicht, aaneengesloten naaldbos zonder open plekken gebruikt hij niet, en op de toendra zelf broedt hij niet — dat is het domein van zijn kortsnaveligere verwant. Dwaalgasten in Alaska worden vooral gezien op kustgraslanden en ondiepe poelen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Scandinavië, via Noord-Rusland, tot diep in Oost-Siberië, verdeeld over drie ondersoorten die elkaar van west naar oost opvolgen en geleidelijk groter worden. De westelijke vogels overwinteren voornamelijk in Denemarken, Duitsland, Nederland, Groot-Brittannië en Frankrijk; de oostelijke ondersoort middendorffii overwintert in Oost-China, Korea en Japan. Dat laatste verklaart waarom vrijwel alle Noord-Amerikaanse waarnemingen — sinds de jaren negentig enkele per jaar op de Aleoeten en de Beringzee-eilanden — van deze oostelijke vorm zijn: vogels die tijdens de voorjaarstrek van Oost-Azië naar Siberië te ver oostwaarts afdwalen. Elders op het continent, tot in de staat Washington toe, blijft hij een incidentele waarneming.
Waar en wanneer kijken
Zoek hem, net als de toendrarietgans, tussen troepen sneeuwganzen en kolganzen op de kustgraslanden van de westelijke Aleoeten en de Beringzee-eilanden, in mei. Let op de lange hals en snavel en het uitgebreide, vaag begrensde oranje op de snavel — bij een geïsoleerde vogel is dat vaak duidelijker te zien dan de subtielere lengteverschillen. Een tweede of derde vogel in dezelfde troep is voor deze soort, anders dan voor de toendrarietgans, geen ongewoon beeld.
Staat van instandhouding
De internationale Rode Lijst classificeert de soort, op het niveau van Anser fabalis in ruime zin, als niet bedreigd (LC). De Europese broedpopulatie wordt op enkele tienduizenden paren geschat en is de laatste decennia grotendeels stabiel, al staat de jacht in een deel van het overwinteringsgebied nog altijd open. In Noord-Amerika, waar de soort geen gevestigde populatie heeft, speelt instandhouding geen rol.
Wetenschappelijke naam
Anser fabalis | (Latham, 1787)
John Latham beschreef de soort in 1787 als Anas Fabalis, bij de eenden; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is het Latijnse woord voor 'gans'. fabalis is Latijn voor 'van de boon', naar de gewoonte van de soort om op geoogste bonen- en erwtenvelden te foerageren — de oorsprong van de Engelse naam 'Bean Goose'. De typelocatie ligt in Groot-Brittannië, waar Latham alleen overwinterende vogels kende; het broedgebied in de Siberische taiga werd pas veel later vastgesteld.




