Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Kleine rietgans
Kleine rietgans | Anser brachyrhynchus
Pink-footed Goose | Ánsar piquicorto
De kleine rietgans broedt op de toendra en de kale hoogvlaktes van IJsland, Groenland en Spitsbergen en overwintert in dichte troepen op de akkers van Groot-Brittannië, Denemarken en Nederland. In Noord-Amerika reikt zijn vaste broedgebied tot in het westen en midden van Groenland, waarmee hij een van de weinige Europese ganzen is die ook als broedvogel bij dit werelddeel hoort. Een compacte, kortsnavelige gans met roze in plaats van oranje op snavel en poten — vandaar de Engelse naam 'Pink-footed Goose'.
Geluid
De roep is hoger en muzikaler dan die van de grauwe gans en de rietganzen: een reeks scherpe, twee- of drielettergrepige wink-wink- of ang-ang-achtige klanken, vaak overlappend wanneer een grote troep tegelijk roept. Vliegende troepen zijn zeer luidruchtig en vormen boven het overwinteringsgebied soms wolken van duizenden roepende vogels. Bij onraad op de grond klinkt een korte, indringende alarmnoot die de hele troep in beweging zet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote, gedrongen gans met een donkerbruine kop en bovenhals die scherp afsteekt tegen de blauwgrijze rug en de zalmroze gloed op de onderhals en borst. De flanken zijn donkerbruin, de onderbuik wit, en in de vlucht tonen de bovenvleugels een lichte, blauwgrijze kleur tegen de donkerdere ondervleugels. De snavel is kort en overwegend donker, met een smal roze bandje bij de punt; de poten zijn roze. Beide geslachten zijn gelijk getekend.
Verwarringssoorten
De rietganzen — de taigarietgans (Anser fabalis) en vooral de toendrarietgans (Anser serrirostris), waarmee de kleine rietgans qua bouw het meest overeenkomt — hebben oranje in plaats van roze op snavel en poten en missen de scherpe kop-halsgrens. De kolgans (Anser albifrons) heeft een geheel oranje snavel en, bij volwassen vogels, een witte bles rond de snavelbasis. In gemengde troepen in Europa is de combinatie van formaat — groter dan een wilde eend, kleiner dan een grauwe gans — en de opvallende roze poten meestal voldoende.
Leefgebied
Broedt op vochtige toendra, rotsachtige hoogvlaktes en langs rivierdalen in het hooggebergte, vaak op kleine eilandjes in meren waar grondroofdieren moeilijk bij kunnen. Buiten het broedseizoen is geoogst akkerland — vooral aardappel- en suikerbietenland, en stoppelvelden met graan — het belangrijkste habitat, aangevuld met kwelders en kustgraslanden om te rusten en te slapen. Hij mijdt bos en dicht struweel volledig en is, meer dan de meeste ganzen, afhankelijk geworden van door mensen bewerkt land.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in centraal en westelijk IJsland, op Spitsbergen en in West- en Midden-Groenland, en overwintert vrijwel volledig in Groot-Brittannië, met kleinere aantallen in Denemarken, Nederland en België. Dat overwinteringsgebied ligt buiten het venster van deze gids. In Noord-Amerika is de soort vooral bekend van Groenland als broedgebied; als dwaalgast verschijnt hij onregelmatig, in toenemende mate sinds de jaren tachtig, langs de Atlantische kust van Newfoundland tot Virginia, meestal een enkele vogel tussen een troep Canadese ganzen. Die waarnemingen zijn nog te onregelmatig om als vaste verspreiding te gelden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Groenland is de beste kans in de bergachtige binnenlanden van het westen en midden, waar de soort op eilandjes in meren broedt; elders in Noord-Amerika is hij zo zeldzaam dat je hem alleen vindt door elke troep Canadese ganzen op de Atlantische kust in het najaar en de winter na te lopen. Let dan op de roze poten en snavelpunt en de scherpe overgang tussen de donkere kop en de blauwgrijze rug — kenmerken die op afstand al opvallen voordat de rest van de tekening zichtbaar is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd: de IJslands-Groenlandse populatie is de afgelopen decennia sterk gegroeid dankzij bescherming op de broedplaatsen en een overvloed aan wintervoedsel op Britse akkers, en telt nu ruim vierhonderdduizend vogels. Die groei heeft ook een keerzijde: de troepen veroorzaken plaatselijk aanzienlijke gewasschade, waarvoor in Groot-Brittannië een beheerjacht is ingesteld om de aantallen te stabiliseren. De kleinere Spitsbergse deelpopulatie, die in Nederland en België overwintert, is aanzienlijk kleiner en kwetsbaarder.
Wetenschappelijke naam
Anser brachyrhynchus | Baillon, 1834
Baillon beschreef de soort in 1834 als Anser Brachyrhynchus, in hetzelfde geslacht waarin ze nu nog staat, vandaar geen haakjes om auteur en jaartal. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is het Latijnse woord voor 'gans'. brachyrhynchus is Grieks voor 'kortsnavelig', naar de opvallend korte snavel in vergelijking met de andere grauwe ganzen. De typelocatie ligt bij Abbeville aan de benedenloop van de Somme in Frankrijk — Baillon kende de soort alleen van overwinterende vogels aan de Franse kust; het broedgebied in het hoge noorden werd pas decennia later in kaart gebracht.




