Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Sneeuwgans
Sneeuwgans | Anser caerulescens
Snow Goose | Ánsar nival
De sneeuwgans is de talrijkste gans van Noord-Amerika, een vogel die in zulke aantallen trekt dat een opvliegende troep op een sneeuwstorm lijkt en een landende de grond wit kleurt. Twee kleurvormen, een witte en een blauwgrijze, broeden door elkaar in dezelfde kolonies en kunnen elkaars partner worden.
Geluid
De roep is een hoog, blaffend haauw-haauw of wank-wank, dat in een trekkende troep van duizenden vogels versmelt tot een aanhoudend, metaalachtig geruis dat kilometers ver draagt. Bij een landende of opstijgende slaapplaats zwelt dat geluid aan tot een oorverdovend koor. Individuele vogels roepen scherper en korter dan de zwaardere ganzen, en de blauwe kleurvorm klinkt niet anders dan de witte.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Isle aux Coudres, Canada · xeno-canto
Herkenning
De witte vorm is bijna geheel wit met zwarte handpennen, een roze snavel met een donkere, tandachtige 'grijnslijn' langs de snijrand, en roze poten. De blauwe kleurvorm heeft een wit hoofd en een donkergrijsbruin lichaam met witte ondervleugeldekveren, en komt vooral voor in de centrale en oostelijke populaties; de twee vormen kruisen vrij en produceren tussenvormen. Juveniele vogels zijn vuilgrijs, met een donkere snavel zonder de scherpe roze kleur van de volwassen vogel. De soort heeft een zware snavel en een dikke hals, anders dan de tengere bouw van Ross' gans.
Verwarringssoorten
Ross' gans lijkt het meest op deze soort: kleiner, met een kort, driehoekig snaveltje zonder duidelijke grijnslijn en een ronder hoofd; de twee mengen zich voortdurend en kruisen af en toe. Op grotere afstand kan een troep op het water voor witte hobbyganzen of voor de veel grotere trompetzwaan worden aangezien, maar de rechte hals, de zwarte handpennen en het geblaf onderscheiden de sneeuwgans direct van een zwaan.
Leefgebied
Hij broedt in dichte kolonies op vlakke Arctische kusttoendra, met zeggenvegetatie en ondiepe poelen binnen het bereik van de kuikens. Op trek en in de winter zoekt hij ondergelopen stoppelvelden, natte weiden, zoetwatermoerassen en, dichter bij de kust, brakke en zoute moerassen; grote troepen grazen voedergronden letterlijk kaal voordat ze verder trekken. Akkerbouw met wintertarwe en rijst heeft zijn wintergebied de afgelopen eeuw sterk uitgebreid.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De westelijke en centrale populaties broeden verspreid over de hele Noord-Amerikaanse Arctis, van de kust van Alaska tot de eilanden van Nunavut, en overwinteren via vier trekroutes in Californië, langs de Golfkust van Texas en Louisiana en in het binnenland tot in Arkansas. Een aparte, grotere ondersoort broedt op de oostelijke Arctische eilanden — Bylot, noordelijk Baffin en Ellesmere — en trekt via de Sint-Lawrencevallei naar de Atlantische kust, waar hij overwintert van Chesapeake Bay tot North Carolina. Sinds de jaren zeventig zijn de aantallen explosief gegroeid door de overvloed aan landbouwgrond op de trekroute; de dichtheid op sommige broedkolonies is nu zo hoog dat de toendra zelf beschadigd raakt.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een grote troep bij zonsopgang op een slaapplaats: het moment waarop duizenden vogels tegelijk opstijgen, in een wolk die van verre wit oplicht, is een van de spektakels van de Noord-Amerikaanse trek. Bosque del Apache in New Mexico en de rijstvelden van het zuiden van Louisiana horen tot de betrouwbaarste plekken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en, in tegendeel, zo talrijk geworden dat overbegrazing op de broedplaatsen een erkend probleem is: op plaatsen als de westkust van Hudsonbaai hebben te grote troepen de zeggenvegetatie blijvend beschadigd. Om de aantallen terug te dringen staan de Verenigde Staten en Canada sinds het eind van de jaren negentig een verlengd voorjaarsjachtseizoen toe, met ruimere regels dan voor andere ganzen. Ondanks die maatregel blijft de wereldpopulatie in de miljoenen lopen.
Wetenschappelijke naam
Anser caerulescens | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas caerulescens, bij de eenden, op basis van een exemplaar van de blauwe kleurvorm; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson; anser is Latijn voor 'gans'. De soortnaam caerulescens betekent 'blauwachtig' — toepasselijk voor de blauwe vorm die Linnaeus voor zich had, maar verwarrend voor een soort die tegenwoordig vooral als de witte sneeuwgans bekendstaat. Pas in de twintigste eeuw werd vastgesteld dat het om één enkele soort met twee kleurvormen gaat, bepaald door één enkel gen. De typelocatie is Hudsonbaai.




